homecontactkennisbankinloggensitemapzoeken  
vorige pagina pagina afdrukken
nzv uitgevers

Hoofdstuk 2 - Met het oog op kinderen

...

H2 Met het oog op kinderen.jpgIn de basisschool gaat het in de eerste plaats om kinderen en hun ontwikkeling. Alles wat er in de school wordt georganiseerd, dient daartoe bij te dragen. Deze stelling gaat op voor alle vak- en vormingsgebieden. Dus ook voor het godsdienstonderwijs. Om een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van leerlingen, moet je hen persoonlijk kennen en daar zit voor aankomende leraren een probleem. In het vorige hoofdstuk is duidelijk geworden dat je pas na verloop van tijd een beeld krijgt van wie de leerlingen zijn en wat zij al dan niet weten, kennen en kunnen. Van de gevoelens die in hen omgaan, besef je aanvankelijk nog maar heel weinig. Soms reageren kinderen op een onbegrijpelijke manier. Daar ben je niet op voorbereid. Daarom is het van belang dat je het doen, het denken en de gevoelens van de leerlingen goed leert waarnemen en interpreteren. Pas wanneer dat het geval is, kun je echt iets bijdragen aan hun ontwikkeling. Dit hoofdstuk wil je helpen om meer zicht te krijgen op leerlingen. Daarbij is het belangrijkste aandachtspunt dat kinderen in wisselwerking met hun omgeving zélf hun eigen werkelijkheid construeren. Als subjecten van hun eigen werkelijkheid geven zij zélf invulling aan de betekenis van godsdienst in hun eigen levensverhaal. Hoewel de primaire verantwoordelijkheid voor de persoonlijke ontwikkeling van kinderen bij de opvoeders thuis ligt, kun je als juf of meester een begeleidende of beter

gezegd: een ontwikkelingsgerichte rol spelen. Of kinderen van huis uit op de een of andere manier in de wereld van religie of godsdienst zijn gesocialiseerd of niet, ze komen er in de samenleving regelmatig mee in aanraking. Dat levert bij hen niet alleen verwondering op, maar ook de nodige vragen. Kinderen mogen daarin niet aan zichzelf worden overgelaten. Zij hebben het recht om zich te oriënteren op godsdienstige uitingen en gedragingen die zich in hun culturele omgeving voordoen. Zij hebben eveneens het recht om bij het zoeken naar antwoorden door hun opvoeders op school te worden ondersteund. Bij de leerkracht die godsdienstonderwijs verzorgt, mag men, afgezien van de voorwaarde van authenticiteit, drie samenhangende competenties veronderstellen. Ze worden in dit hoofdstuk behandeld. Kort samengevat gaat het om: 1. het kunnen waarnemen van kinderen; 2. het kunnen interpreteren van hun gedachten en uitingen; 3. het vermogen om kinderen te begeleiden in hun eigen godsdienstige ontwikkeling. Daarbij is ontwikkelingspsychologisch inzicht onmisbaar. Dit hoofdstuk sluiten we daarom af met een kennismaking met enkele opvattingen van de ontwikkelingspsychologen Piaget en Vygotsky. In hoofdstuk 5 maken we gebruik van de inzichten van Vygotsky voor de begeleiding van kinderen bij het voeren van godsdienstige gesprekken.