homecontactkennisbankinloggensitemapzoeken  
ga naar de inhoudsopgave
vorige pagina pagina afdrukken
nzv uitgevers

2.2 Vraag 1: ‘Minder onderwijzen en beter leren?’

...

We beginnen met een uitspraak van de vermaarde theoloog en pedagoog Johan Amos Comenius (1592-1670). Hij wordt beschouwd als wegbereider voor Studielandschap - Werkvormen - 2. Kernvragen ...bekende pedagogen zoals Francke, Rousseau, Fröbel, Pestalozzi en Montessori. In meerdere opzichten was Comenius zijn tijd zondermeer ver vooruit. Om met een enkel voorbeeld zijn grote verdiensten voor het onderwijs aan te geven: Comenius wordt wel ‘de uitvinder van het schoolboek’ genoemd. Zijn rijk geïllustreerde kinderencyclopedie ‘De orbis sensualium pictus’ (‘de zichtbare wereld in beeld’), is het eerste schoolvoorbeeld van wat tegenwoordig ‘totaliteitsonderwijs’ wordt genoemd. Over dit meesterwerk en de achterliggende opvattingen is veel te zeggen. We beperken ons hier tot een opmerking over de manier van werken die spoort met het didactische format.

De werkvorm, die telkens aansluit bij een afbeelding van een bepaald deel van de zichtbare werkelijkheid (zie het bovengenoemde principe van de aanschouwelijkheid), nodigt uit om de wereld thematisch te verkennen. De toegankelijke opzet van het boek maakte het de leerlingen van toen zelfs mogelijk om in hoge mate actief en zelfstandig te leren.

 

Comenius deed met zijn op verschillende niveaus te gebruiken schoolboek recht aan het leren van de leerlingen. Zijn achterliggende uitgangspunt was de stelling dat niet het lesgeven van de leerkracht maar het leren van de leerlingen de kernkwestie is waar het onderwijs om draait. Vanuit die moderne visie confronteerde hij zijn tijdgenoten met de verassende vraag:

 

  • ‘Hoe kunnen we bewerkstelligen dat de leerkrachten minder gaan onderwijzen en de leerlingen beter gaan leren?’

 

Deze vraagstelling is 350 jaar later nog steeds hoogst actueel. Niemand zal de vooronderstelling van Comenius ontkennen: onderwijsinstellingen zijn niet in het leven geroepen ten behoeve van de leerkrachten. De school dient in de eerste plaats het leren van de leerlingen te bevorderen. Op die reden horen de leeractiviteiten van de leerlingen in de school centraal te staan. Die gedachte is tegenwoordig algemeen geaccepteerd. Onderwijskundigen van nu, zoals Boeckaerts & Simons (2007(4)), wijzen er op dat de kwaliteit van de leerresultaten in de eerste plaats direct afhangt van de kwaliteit van de leeractiviteiten die de leerlingen zélf ondernemen.

Zij leveren een ijzersterk argument voor het basisprincipe van actief leren. En terecht: de ‘lesgevers’ die in de basisschool voor de groep staan, mogen dan met de beste bedoelingen van de wereld van alles en nog wat willen aanreiken, de leerlingen zullen het aanbod zélf moeten verwerken en toe-eigenen. Daarvoor hebben zij speelruimte nodig en niet te vergeten: de onmisbare structuur en de support van deskundige leerkrachten. Als aan die beginvoorwaarde wordt voldaan, kan er in de school actief worden geleerd. Het beginsel van actief leren kan voor de leerlingen tevens meer ‘zin in leren’ opleveren. Maar het basale beginsel blijkt in de onderwijspraktijk niet altijd vanzelfsprekend te worden toegepast. Het vraagt namelijk om een extra inspanning, die begint met een nadrukkelijke pedagogische en didactische manier van kijken (vgl.: V&O, blz. 50 – 53). Hoe dan ook, wie voor de activering van het leren van de leerlingen kiest, kan bij de onderwijsvoorbereiding niet langer eenvoudigweg blijven uitgaan van de vraag: ‘Hoe kan ik godsdienstige inhouden aan de leerlingen doorgeven?’

 

 

Pagina 2 van 3

Lees verder >>>