homecontactkennisbankinloggensitemapzoeken  
ga naar de inhoudsopgave
vorige pagina pagina afdrukken
nzv uitgevers

2.3 Vraag 2: ‘Hoe komen mijn leerlingen tot zinvol leren?’

...

Wie vanuit een meer pedagogische perspectief aan de slag wil gaan (vgl.: ‘Met het oog op kinderen’, V&O, blz. 38 – 72), en de ontwikkeling van de leerlingen als het uitgangspunt voor het onderwijs neemt, loopt tegen een niet eenvoudige uitdaging aan, namelijk:

 

  • ‘Hoe kunnen mijn leerlingen zélf tot vormen van zinvol leren komen? (En dan ook nog in het domein van godsdienst en levensbeschouwing…?)

 

Zeker als je net in de wereld van het (godsdienst)onderwijs komt kijken, blijkt dit een bijzonder ingewikkelde vraag. Dat is heel begrijpelijk, want onderwijs is per definitie een complexe aangelegenheid. Zo komen alleen al bij het didactische ontwerp van een enkele les negen samenhangende aspecten gelijktijdig aan de orde. In een enkele zin samengevat gaat het om de volgende kwesties: (1) wie zou, (2) wat, (3) wanneer, (4) met wie, (5) waar, (6) hoe, (7) waarmee, (8) waarom, (9) en waartoe moeten leren?

Dit geheel van vragen is op zich bekeken al zo complex, dat je als aankomende leraar bij de lesvoorbereiding nauwelijks toekomt aan de essentiële vraag: waarom is deze les goed en zinvol voor deze leerlingen in deze groep? (Tussen haakjes: dat deze vraagstelling bij de onderwijsvoorbereiding gewoonlijk buiten het zicht valt, kan men beginners niet kwalijk te nemen, want op het gebruikelijke lesvoorbereidingsformulier komt die vraag als zodanig niet voor. In de regel gaat alle aandacht uit naar de eerste zeven didactische aspecten bij de lesvoorbereiding. Daarmee komen al zoveel aandachtspunten aan de orde, dat de laatste twee pedagogische sleutelvragen van het waarom en het waartoe, eenvoudigweg van de tafel vallen.)

De opleidingservaring leert dat beginnende leraren pas na verloop van tijd de relevantie ontdekken van de pedagogische vraag naar zinvol leren. Daarbij kan de reflectie op eigen stagepraktijken als een katalysator werken.

Het bedenken en ontwerpen van leerprocessen die daadwerkelijk kunnen leiden tot zinvol leren, veronderstelt van kant van de leerkracht de ontwikkeling van een betekenisvol onderwijsaanbod. Bijvoorkeur in de vorm van een boeiende leeromgeving die de leerlingen mogelijkheden biedt om met elkaar een echte ontdekkingsreis te maken. Wie zou dit niet willen? Maar zoiets moois tover je natuurlijk niet zomaar uit een hoge hoed.

De voorbereiding van een betekenisvol onderwijsaanbod brengt de nodige creatieve inspanningen met zich mee, waarbij trouwens niet altijd zomaar kan worden teruggegrepen op de aanwijzingen en materialen van de voorhanden zijnde godsdienstmethode. Al was het maar omdat schoolmethoden voor een brede doelgroep worden geschreven.

Het ontwerp van godsdienstlessen (of een leeromgeving) met betekenisvolle leerinhouden voor de eigen doelgroep, vraagt om een passend arrangement van activerende leeractiviteiten en bijpassende werkvormen. Dat kost de nodige tijd. En het zal duidelijk zijn dat het een en ander niet kan worden gerealiseerd vanuit het meer eenvoudige eenrichtingsverkeer van de traditionele overdrachtsdidactiek.

 

Al met al, wie recht wil doen aan de zes basisprincipes van belangstelling, individualisatie en differentiatie, integratie en geleidelijkheid, zal zich dienen te bezinnen op de invulling van de eigen beroepsrol. De primaire rol van lesgever dient te verschuiven naar die van creatieve onderwijsontwerper en leergids (‘scaffolder’). Wie voor die beroepsrol wenst te gaan, zal afscheid moeten nemen van het gemak van de vertrouwde routines. Dat vraagt om een herbezinning op gangbare praktijken. Maar daar staat anderzijds tegenover dat het (godsdienst)onderwijs zowel voor de leerlingen als voor de onderwijsgevende meer relevant en daarom meer de moeite waard kan worden.

 

 

Pagina 3 van 3

Naar de volgende paragraaf >>>