homecontactkennisbankinloggensitemapzoeken  
ga naar de inhoudsopgave
vorige pagina pagina afdrukken
nzv uitgevers

7.4 Werken met een casus

...

Het Latijnse woord casus staat voor ‘een geval dat uit het leven is gegrepen’. Met andere woorden: een casus zou echt gebeurd kunnen zijn. Verwerk in een casus voorbeelden van kinderen die net iets ouder zijn dan de leerlingen van jouw eigen groep. Dat maakt de casus voor hen per definitie boeiender. Bij een casus horen dilemma’s die kinderen zelf op mogen lossen. Let op: in een goede casus zijn in principe altijd verschillende oplossingen mogelijk. Daarin ligt ook de uitdaging. Je kunt zelf een casus maken. Bijvoorbeeld naar aanleiding van een regel uit een Psalm: ‘Vrede en gerechtigheid kussen elkaar’ (oftewel: er moet eerst gerechtigheid – wat is dat trouwens? – geschieden, voor er echt vrede komt.

Een suggestie: de 10 geboden bieden diverse mogelijkheden voor het maken van een casus. Denk maar eens aan de regel: ‘Gij zult niet stelen’. In dit verband nog een interessante overweging: de kerkhervormer Maarten Luther formuleerde de regels uit de tien geboden in positieve zin. Hij vertaalde de regel ´Gij zult niet stelen’, met ‘Gij zult delen’. De mogelijkheid om de geboden voor de verandering in positieve zin te formuleren, geeft de leerlingen veel te denken. Bedenk maar eens een casus waarin iemand de geboden als positieve uitdaging formuleert.

 

 

Pagina 4 van 10

Lees verder >>>

 

7.4 Casus - 10 Geboden.jpg