|
In de tijd van Jezus waren er veel ambtenaren die zie bezig hielden met allerlei vormen van belastingheffing. Er werd belasting geheven bij invoer, uitvoer en doorvoer van allle denkbare goederen, bij grenzen, steden en op markten. In bewaard gebleven lijsten zijn tarieven te vinden voor huiden, gezoute vis, graan, wijn, stro, kruiden, dieren, en slaven. Winkeliers en prostituees moesten ook belasting betalen. Het is te begrijpen dat tollenaars bepaald niet populair waren. Zij waren te onderscheiden in twee groepen: 1) oppertollenaars die aan de Romeinen (vooraf) pacht betaalden voor hun functie, en 2) gewone tollenaars die op allerlei locaties de belasting incasseerden. Omdat oppertollenaars nooit zeker waren of zij hun reusachtige vooruit betaalde pachtsommen terug konden verdienen, werd nogal eens van de vastgestelde tarieven afgeweken. Of er werd zwart betaald. De gewone tollenaars die het alledaagse ‘vuile werk’ opknapten en zich de haat van de Joden op de hals haalden, waren niet zelden mensen die elders mislukt waren, of gevluchte slaven. Geen wonder dat sommigen van hen zich door Jezus aangesproken voelden, zich bij hem aansloten, en een nieuw leven begonnen. Maar ook oppertollenaars, zoals Zacheüs kwamen tot Jezus en volgden hem. Pagina 2 van 7
Lees verder >>>
|