homecontactkennisbankinloggensitemapzoeken  
ga naar de inhoudsopgave
vorige pagina pagina afdrukken
nzv uitgevers

4.3 Het gewone volk

...

Het gewone volk was arm. Het leefde van landbouw, visvangst, handwerk en kleinhandel, maar de inkomsten waren vaak te klein om van te leven. De dagloners stonden helemaal onder aan de ladder. Zij hadden geen constante bron van inkomsten en waren volstrekt afhankelijk van anderen. Tegelijk ging het volk gebukt onder belastingen, die onder andere werden gevorderd ten behoeve van de grote bouwwerken van koning Herodes en zijn zonen. En de ellende was helemaal niet te overzien wanneer zich, ten gevolge van een sprinkhanenplaag, ook nog eens hongersnoden voordeden. Het waren dan de dagloners die als eersten crepeerden. Als een boer niet op tijd kon betalen, namen de belastingpachters hem zijn land af. Om daaraan te ontkomen, leende hij dan geld bij een woekeraar die dikwijls in verbinding stond met de belastingpachter, die de gelden moest innen. Zo kwam de kleine boer steeds dieper in de schulden te zitten en het eind van het lied was, dat hij zijn vrouw en kinderen moest verkopen om de schuld te delgen. De meeste inwoners van Galilea waren boeren en de schuldenlast drukte op velen. Een aantal keren brak er in Galilea vanwege de belastingheffing voor de Romeinen opstanden uit, die geleid werden door de zgn. ‘Zeloten’. Alleen de Sadduceeën en de grootgrondbezitters waren rijk. De grootgrondbezitters waren in veel gevallen niet-Joden, die ook nog in het buitenland woonden, zoals je bijvoorbeeld in Matt. 21:33-43 kunt lezen. Daar vergelijkt Jezus de religieuze leiders van het volk, de Farizeeën en Sadduceeën, met de pachters, die bij het vertrek van de heer van de wijngaard naar het buitenland, de verantwoordelijkheid over de wijngaard hebben gekregen en de macht naar zichzelf toetrekken. Dat was voor het gewone Joodse volk een beeld dat ze zich goed voor konden stellen!

 

 

Pagina 3 van 7

Lees verder >>>