|
De melaatsen zijn een groep apart. Toch willen we in dit overzicht niet over hen zwijgen. Het is goed om hen te vermelden en recht te doen. Zij maken immers ook deel uit van de wereld van rabbi Jezus van Nazareth. Melaatsen werden in de tijd van Jezus gezien al verdoemden die als onreinen buiten de gemeenschap gesloten moesten worden. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de tien melaatsen in hoofdstuk 17 van het Evangelie van Lucas (zie voor dit verhaal: 6.2). 'Melaats' is in de Bijbel een aanduiding van verschillende huidziekten. Tegenwoordig weten we dat sommige huidziekten besmettelijk zijn. En we hebben overal pillen of zalfjes voor. Voor een paar gulden per jaar kan bijvoorbeeld een lepralijder (vroeger = een melaatse) worden geholpen. Destijds zag men melaatsheid vanuit een ander perspectief. Als een bezoedeling door kwade machten; een fatale straf voor ontucht, bloedvergieten, meineed, hoogmoed, kwaadsprekerij, diefstal, vloeken en dienst aan de afgoden. Melaatsheid kreeg je door eigen schuld: door te kiezen voor het kwade. Van besmetting in de medische zin van het woord had men geen enkel idee. Men ging destijds uit van de gedachte dat de melaatse zich op de een of andere manier bewust van God had afgekeerd, bijvoorbeeld zoals Mirjam, de zus van Mozes. In Leviticus 13: 46 stond het voorschrift dat een melaatse afgezonderd door het leven moest. De veronderstelde goddeloosheid van de melaatse kon - naar men dacht, wel eens naar jou overwaaien. En als je een melaatse aanraakte, kwam zijn schuld en straf op jouw schouders en werd je eveneens onrein. Vandaar ook dat een melaatse op staande voet gestenigd mocht worden, als hij te dicht in de buurt van reine mensen kwam. Degene die door melaatsheid werd getroffen, leed op drie manieren. 1) Allereerst door de uitzichtloze ziekte als zodanig. Langzaam maar zeker wegrotten, zonder hoop op genezing is afschuwelijk. Vergelijk het maar met aids of kanker. 2) In de tweede plaats bracht melaatsheid een totaal isolement met zich mee. Of je jezelf bewust was van enig kwaad of niet, je werd verstoten door alle mensen waarmee je in contact stond, zoals je vader, moeder, broers, zusters, vrouw, man en kinderen. In feite werd je levend dood verklaard. En zonder relaties heeft het leven niet veel meer te bieden.... 3) In de derde plaats diende de melaatse zichzelf te zien als een onrein en goddeloos iemand, met wie God eigenlijk geen contact meer wilde. Door het klaarblijkelijk begane kwaad had je jezelf van God geïsoleerd. Als een melaatse ondanks alles toch genas (bijvoorbeeld omdat een goedaardige schimmelinfectie voor melaatsheid was gehouden), werd de genezing aan God zelf toegeschreven. Volgens de opvattingen van toen kon er maar één de straf in de vorm van melaatsheid vergeven; God zelf. Daarom was de genezing van melaatsen door het toedoen van rabbi Jezus voor veel tijdgenoten ook een onmogelijke mogelijkheid. Rabbi Jezus deed tekenen die alleen door God zelf gedaan konden worden.... Melaatsen waren outcasts, die met criminelen en ander gespuis in grensgebieden aan de rand van de samenleving leefden. In het niemandsland leefden onreine mensen die niemand meer waren. Pagina 5 van 7 Lees verder >>>
|