homecontactkennisbankinloggensitemapzoeken  
vorige pagina pagina afdrukken
nzv uitgevers

Toelichting bij tentoonstelling Heilig Vuur

...

Bron: de inleiding van de catalogus Heilig Vuur van het Stedelijk Museum - Nieuwe Kerk Amsterdam. Auteur: Marty Bax.

 

Ossip Zadkine Het hert 1923.jpgDe laatste jaren zijn religie en spiritualiteit, in vele vormen en gedaanten, weer volop terug in de kunst. Afgezien van de toenemende herijking van de modernistische opvattingen binnen de kunstwereld zelf hebben actuele gebeurtenissen op het wereldtoneel een stuwende rol gespeeld. Ze hebben religie in bredere kring tot topactualiteit gemaakt. De expositie Heilig Vuur sluit op deze actualiteit aan. Ze biedt het verrassende inzicht dat na de wende naar het modernisme de kunstenaar vaak juist niet religie heeft opgeofferd aan puur formalisme.

 

Geloof en religieuze beleving

De woorden ‘religie’, ‘geloof’ of ‘religieus’ worden meestal gebruikt in direct verband met de vijf gevestigde wereldgodsdiensten: het joodse geloof, het hindoeïsme, het boeddhisme, het christendom en de islam. Maar religie en geloof, of in bredere zin, religieuze beleving, zijn niet tot godsdienst beperkt. Zij tonen de menselijke behoefte om te geloven in een hogere macht die het leven op aarde bepaalt, bestuurt en er zin aan geeft. Geloof kan zich uiten op ontelbare manieren: binnen of buiten sociaal verband, op een volstrekt individueel niveau, of juist als collectieve beleving binnen een vastomlijnd stramien.

 

Godsdiensten in strikte zin zijn sociale instituties die, door het uitvaardigen van dogma’s, aan de religieuze beleving een bepaalde structuur hebben gegeven. Toch bestaat binnen dat sociale stramien meestal grote speelruimte voor praktische beleving en individuele invulling van geloof. De kerkdienst vertegenwoordigt dus één gezicht van godsdienst, persoonlijke rituelen vaak een heel ander. En wanneer meerdere mensen het eens zijn over invullingen die afwijken van de dogma’s, volgen vaak godsdiensttwisten en afsplitsingen. Het christendom heeft zo in de loop van twee millennia vele gezichten gekregen. Net als de andere wereldgodsdiensten.

 

Daarnaast bestaan talloze levensbeschouwelijke en/of filosofische richtingen in de wereld die minder aan dogma’s vasthouden en ook losser zijn georganiseerd. Vele elementen van het religieuze beleven – spiritualiteit, mystiek, extase – komen ook in die niet strikt godsdienstige bewegingen voor. De belangrijkste in onze cultuur is de westerse esoterie. Daarmee – het betekent letterlijk ‘het geheimzinnige’ – wordt feitelijk geen stroming bedoeld, maar een verzameling richtingen als hermetische filosofie, alchemie, christelijke theosofie, rozenkruiserij en kabbalistiek. Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw zijn daar nog nieuwe stromingen bij gekomen: spiritisme, occultisme, moderne theosofie en antroposofie. De New Age-beweging van de laatste decennia is hiervan een recente uitloper.

 

Deze vormen van religie zijn gebaseerd op het idee van de goddelijke aanwezigheid in het leven. Voor sommigen binnen deze stroming maakt het deel uit van de natuur, of van de kosmos die onzichtbaar is, maar waarvan de natuur de aardse afspiegeling is. In de natuur verkeren kan een gevoel oproepen dat je met de natuur en de kosmos één bent. Anderen denken dat het goddelijke vooral in de mens zelf zit, en dat die zich erop moet concentreren – bijvoorbeeld door meditatie – om het ‘wakker te maken’. Al deze vormen van religie zijn gebaseerd op gnosis, het op een ongedeeld moment ervaren van een mystieke eenwording met god en de wereld, om in één ongedeelde seconde als het ware dwars door alles heen te kijken en ‘de kern’ en ‘de samenhang’ van alles te doorzien.

 

Secularisatie en de positie van het Stedelijk Museum

Het ontstaan van het modernisme in onze westerse, christelijke cultuur hangt nauw samen met het ter discussie stellen van de dogma’s van de Kerk. De Verlichting, een stroming die zelf het gevolg was van ontwikkelingen in de wetenschap en maatschappij in de Renaissance alsook van de Reformatie, zette dit proces in werking. De Franse Revolutie, en de definitieve scheiding van Kerk en Staat omstreeks 1850 vanwege de invoering van de parlementaire democratie, hebben dit proces versneld.

 

De nieuwe, moderne maatschappij werd gestuurd en bestuurd onder vele nieuwe impulsen. De Kerk en de adel waren niet langer de sturende economische en culturele macht, dat werd de bourgeoisie. De ontwikkeling van de empirische wetenschappen en de techniek leidden tot de – in de woorden van socioloog Max Weber – ‘onttovering’ van de maatschappij. Kolonialisme nam toe en velen maakten kennis met andere culturen en hun religieuze fundamenten. En de democratisering bracht de nadruk steeds meer op individuele zingeving van het bestaan, tegenover de oude collectieve, ‘van bovenaf’ gestuurde invulling. Vooral deze impulsen hebben aan het begin van de twintigste eeuw het proces van ontkerkelijking definitief ingezet. De macht van gevestigd (christelijk) geloof brokkelde in rap tempo af, en zelfs nog rapper na de Tweede Wereldoorlog.

 

Maar de religieuze beleving van de geseculariseerde – de van de Kerk als zingevend instituut losgemaakte – mens zocht ook na de oorlog een uitweg in alternatieve geloven. Daarmee worden in principe alle andere vormen van religieuze beleving bedoeld die niet tot de kerkelijke traditie behoren; ‘geloof voor eigen gebruik’. In de jaren zestig bood de hippiebeweging, met de nadruk op allerlei oosterse vormen van religie, occultisme en psychedelica, nieuwe alternatieven. De laatste twintig jaar vierde de New Age-beweging hoogtij. Alle zijn uitdrukkingsvormen van behoefte aan religieuze zingeving, die nog steeds levendig is, zoals een rapport van Sociale en Culturele Studies in 1997 overtuigend liet zien.

 

Het Stedelijk Museum, opgericht in 1895, is een vroege exponent van het proces van secularisering. De oprichting was het directe gevolg van de wens van de nieuwe burgerlijke elite om afstand te nemen van gevestigde tradities en om uiting te geven aan een nieuwe, eigen culturele identiteit. Deze elite kwam vooral tot rijkdom dankzij twee nieuwe, bijzonder winstgevende economische sectoren: de handel op de koloniën in Nederlands Oost-Indië en de staal- en kolenindustrie in het Roergebied. Cultureel zelfbewustzijn uitte zich onder meer in de doelgerichte ondersteuning van een lichting jonge kunstenaars, door financiering van hun scholing of door opdrachtgeverschap. Deze elite investeerde dus gericht in ‘cultureel kapitaal’. Zij werd de motor en promotor van het modernisme. Het Stedelijk Museum werd de nieuwe tempel van een nieuwe kunst. De nieuwe kunst werd de nieuwe religie van de moderne tijd.

 

De vele gedaanten van Heilig Vuur

Met alle varianten in geloofsbeleving die tijdens de secularisatie zijn ontstaan, zijn ook de manieren waarop het religieuze in beeld wordt uitgedrukt bijzonder divers geworden. Het valt af te lezen aan de collectie van het Stedelijk Museum.

 

De christelijke traditie

In de tweede helft van de negentiende eeuw vormde de christelijke traditie nog het overwegend traditionele referentiekader voor de kunstenaar. De collectie van het Stedelijk Museum bezit diverse werken uit deze tijd. Op het eerste gezicht verrassend, maar dus verklaarbaar, is dat werken van katholieke kunstenaars ruimschoots aanwezig zijn, bijvoorbeeld van Giovanni Segantini, Antoon Derkinderen, James Ensor en Jan Toorop (die later katholiek werd, zoals veel van zijn generatiegenoten). Dit werk bezit een expliciete katholieke iconografie: verbeeldingen met kruizen, Christusverbeeldingen, interieurs van kerken, geestelijken die een ritueel uitvoeren, mensen in gebed, profeten en piëta’s (Maria met de gestorven Christus in haar armen). Even opvallend is dat traditionele iconografie ook later zichtbaar is gebleven in het werk van een keur van kunstenaars, onder wie Francis Bacon, Arnulf Rainer, Antonio Saura, Sesostris Vitullo, Paul van Dongen en Marc Mulders.

 

Vele contemporaine kunstenaars gebruiken religieuze (met name katholieke en orthodoxe) iconografie als een kritische kanttekening bij de huidige welvaartsmaatschappij. Ze verbeeldt dan de spiritualiteit die zich zeer moeizaam verhoudt tot luxe, maar waarnaar de kunstenaar blijft streven. Deze kunstenaars sluiten iconografisch, maar wel vanuit een (post)seculiere attitude, aan bij religieuze beeldtaal. Tot deze groep behoren Francesco Clemente, Gilbert & George, Philip Eglin, Damien Hirst, Mike Kelley, Jeff Koons, Julian Schnabel en Bill Viola. Ook bij hen zijn dus traditionele beelden terug te vinden: kruizen, het lijden, piëta’s, de doop, of populaire religieuze kitschvoorwerpen.

 

Terwijl ‘katholieke’ kunstenaars ruimschoots vertegenwoordigd zijn, treffen we weinig ‘protestantse kunstenaars’. Dat is verklaarbaar: het protestantisme is een zogeheten iconoclastische religie, dus een die het afbeelden van mensen en God niet tolereert. Kunstenaars als Piet Mondriaan en Ad Dekkers, beiden uit een streng gereformeerd milieu, volgden alternatieve routes om hun religieuze beleving te uiten. Zij begaven zich op het gebied van de westerse esoterie. Mondriaan vond inspiratie in de moderne theosofie, Dekkers in de vrijmetselarij. Zij maakten op grond daarvan abstracte composities.

 

Tradities van andere wereldgodsdiensten

Niet alleen het protestantisme, ook het joodse geloof en de islam zijn iconoclastische godsdiensten. Kunstenaars uit deze geloofsrichtingen bewandelden een omweg om toch hun religieuze ideeën te kunnen uiten. Jozef Israels gebruikte realisme om bijvoorbeeld een rabbi uit te beelden. Hoewel dit binnen Joodse geloofskringen ten strengste verboden was, zag hij het als een legitieme manier om zich aan Joodse thema’s te wijden. Een vergelijkbare, zich voorzichtig ontwikkelende ‘Joodse’ iconografie is terug te vinden bij Marc Chagall, Chaïm Soutine en Jacques Lipchitz. Ook zij ontworstelden zich aan een streng Joods milieu. De hedendaagse Joodse kunstenaar Joseph Semah zou dankzij deze nieuwe traditie heel expliciet kunnen zijn, maar is juist ‘roomser dan de paus’: hij beroept zich op de traditionele Joodse mystieke traditie, en beeldt geen levende wezens af.

 

Kunst direct geïnspireerd door de islam, het hindoeïsme of het traditionele boeddhisme is in de collectie van het Stedelijk Museum nauwelijks vertegenwoordigd. Het hindoeïsme en boeddhisme hebben de aansluiting met het modernisme in de kunst gemist. Hetzelfde geldt voor de islam, wat grotendeels ook komt doordat het een iconoclastische godsdienst is.

 

Alternatieve geloven: de kunstenaar als visionair

Al vroeg in de negentiende eeuw was een nieuw soort kunstenaarschap ontstaan, mede doordat na de Franse Revolutie de traditionele opdrachtgevers, Kerk en adel, hun traditionele machtspositie waren kwijtgeraakt. In de uit die tijd stammende Romantiek stond de moderne kunstenaar op: de visionair van de samenleving. Zij gingen niet zozeer fungeren als reflectoren maar eerder als sensoren van veranderingen in de maatschappij. Omstreeks 1900 mengden kunstenaars zich actief in sociale en politieke bewegingen, die naar duurzame veranderingen in de maatschappelijke verhoudingen streefden. Of, iets bescheidener, door deze ontwikkelingen werden geïnspireerd tot ontwikkeling van een nieuwe beeldtaal. Veel andere kunstenaars zochten hun heil in de ‘alternatieve geloven’. Vaak wordt verondersteld dat zij deze ommezwaai maakten om geheel te breken met de christelijke cultuur, maar dat is in de meeste gevallen niet juist. Ze wilden via die weg de dogma’s van het christendom herijken en in een ander, breder godsdiensthistorisch licht plaatsen. Een aantal van hen, zoals Jan Toorop, kwam paradoxaal genoeg tot een veel hechtere heraansluiting bij de (met name katholieke) Kerk.

 

Daarnaast vonden nogal wat kunstenaars inspiratie in de heropleving van een traditie die sinds de Renaissance stelselmatig door de Kerk is bestreden, maar daarvóór integraal deel van het theologisch discours had uitgemaakt: de westerse esoterie. De kunst die uit inspiratiebronnen als alchemie, spiritisme en theosofie voort is gekomen, steunt op een geheel innerlijke, eigen interpretatie van religieuze beleving. Tot deze generatie behoren de pioniers van de moderne kunst: Wassily Kandinsky, Kazimir Malevitsj en Piet Mondriaan. Ook Michail Matjoesjin en Johannes Itten maken er deel van uit. Westerse esoterie vindt in de tweede helft van de twintigste eeuw opnieuw weerklank bij kunstenaars als Joseph Beuys, Yves Klein, Anselm Kiefer en Sigmar Polke. In sommige gevallen, zoals bij Beuys, is daar nadrukkelijk een sociaal ideaal mee verbonden. De meeste anderen zoeken herijking of verbreding van de eigen culturele en religieuze wortels.

 

Uit al deze impulsen zijn vanaf circa 1900 nieuwe iconografische tradities ontstaan, die elementen uit niet-christelijke, vaak veel oudere culturen hebben opgenomen. Oosterse godsdiensten – islam, boeddhisme, hindoeïsme – hebben op deze manier hun intrede in de moderne kunst gedaan. Vaak gebeurde dat niet op figuratieve manier, maar via de overname van denkbeelden of door het gebruik van geometrische motieven.

 

Het Oosten en de mystiek: verstilling

Na de Tweede Wereldoorlog werden niet-westerse religieuze tradities een nog grotere inspiratie. Soms was dit het gevolg van directe persoonlijke aansluiting of betrokkenheid bij een oosterse levensbeschouwing. Daarnaast volgden kunstenaars nieuwe bewegingen in de internationale kunst, zoals de groep aan de westkust van Amerika die na de oorlog grote interesse toonde voor het zenboeddhisme (uit Japan). Deze inspiratiebronnen leidden tot een verstilde kunst waarin het begrip ‘leegte’ centraal staat, en tot het gebruik van bijvoorbeeld licht als immaterieel beeldend materiaal. Het gaat om kunstenaars als Marina Abramovic, Rob Birza, Daan van Golden, Nam June Paik en Jan Schoonhoven. Hun ‘verstilde’ kunst drukt meestal hun persoonlijke mystieke beleving van de wereld uit.

 

Verstild is ook het werk van de belangrijke naoorlogse abstracte kunstenaars Barnett Newman en Marc Rothko, maar om andere redenen. Zij hadden een Joodse achtergrond, en sloten dus aan bij het iconoclastische karakter van het joodse geloof, en van de daaruit voortgekomen mystieke kabbalistische traditie.

 

Ritueel, magie, natuurkracht

Tegenover deze ‘verstilde’ kunstenaars staan zij die hun religieuze beleving juist hebben geuit in een intensieve relatie met de natuur. Niet zozeer de directe, zichtbare natuur werd een bron van inspiratie, zoals in de Romantiek, maar concepten die van het begrip ‘natuur’ waren afgeleid: het organische, het idee van metamorfose, het bestaan van onzichtbare kosmische krachten en de psychoanalyse. Een aantal kwam tot een kruisbestuiving met de westerse esoterie, waarin verschillende van deze aspecten ook een rol spelen. Interesse in animisme (natuurgodsdienst) en antropologische belangstelling voor magische, rituele praktijken van ‘primitieve’ volken passen ook in deze groep. Hieruit werden nieuwe schildermethoden afgeleid. Kunstenaars zijn onder anderen Hans Arp, Anton Heyboer, Alexej von Jawlensky, Wassily Kandinsky, Anselm Kiefer, Paul Klee, Jannis Kounellis, Giuseppe Penone, Sigmar Polke, Jackson Pollock, Bill Viola en Ossip Zadkine.

 

De collectie van het Stedelijk Museum getuigt van de grote veelzijdigheid aan religieuze thema’s in de moderne kunst, en van de grote dynamiek in de religieuze beleving van kunstenaars. Die elementen zullen ongetwijfeld ook in de toekomstige kunst een rol spelen.

 

 

Terug >>>

 

 

Bespreking

 

Heilig Vuur - Tentoonstelling Nieuwe Kerk Amsterdam.jpg ...

‘Religie en spiritualiteit zijn weer volop terug in de kunst. Dat moet hoe dan ook een reden zijn geweest voor het Amsterdams Stedelijk Museum eens aan kritisch zelfonderzoek te doen en te bekijken hoe religieus de achtergrond van de eigen collectie moderne beeldende kunst nu werkelijk is.’ Dat zegt journaliste Marie Verheij in het Nederlands Dagblad.

 

Lees het artikel (Pdf) >>>