homecontactkennisbankinloggensitemapzoeken  
vorige pagina pagina afdrukken
nzv uitgevers

PAUL KUIPER / APRIL 2009

...

‘Zoek er maar een mooi liedje bij…’

‘Jan’, zei de coach tegen de Pabo-student, ‘ wil jij volgende week een godsdienstles geven die over oorlog en vrede gaat? Zoek er maar een mooi liedje bij dat de kinderen graag zingen.’ Met die opdracht was Jan niet zo blij. Vooral niet met de opmerking over het mooie liedje. Hij kende helemaal geen mooi liedje over oorlog en vrede. Maar hij wou zijn coach niet teleurstellen en vooral zijn groep niet. Hij vond in ‘Met andere woorden’ het lied ‘Tussen schaduw, tussen licht, is een woord verborgen’. Het tweede vers vond hij mooi: ‘Samen horen, samen doen, de sjaloom uitdragen’. En dat lied koos hij uit. Later zei zijn coach dat hij dat liedje zelf nooit zou hebben gekozen, maar gelukkig ook dat hij aan de kinderen merkte dat ze Jans keus goed hadden aangevoeld.

 

Niet elk lied is geschikt om overal en door iedereen te worden gezongen. Een open deur wellicht, maar we trappen hem toch maar in: voor sommigen is het al goed als het maar over Jezus gaat. Zo simpel is het natuurlijk niet. Dat had Johannes Calvijn goed begrepen toen hij rond 1560 besloot om alle 150 psalmen op rijm te laten zetten: hij deed een beroep op dichters, taalmensen dus en het resultaat was er naar. In Nederland was men minder kieskeurig: als het maar gezongen kon worden! Johannes Calvijn - Geneve.jpgVanuit die gedachte ging Vlaamse prediker Petrus Datheen enkele jaren later aan het werk. Hij telde het aantal lettergrepen per regel en vertaalde toen de Franse tekst in het Nederlands. Met alle gevolgen van dien. Van ritme had hij geen kaas gegeten, maar de zinslengte klopte. De gevolgen zijn heden ten dage nog hoorbaar: er zijn nog altijd kerken waar de psalmen in Datheens berijming en niet-ritmisch worden gezongen. Lees ‘Het psalmenoproer’ van Maarten ’t Hart er maar eens op na!

 

In de 20e eeuw kregen Nederlandse dichters de opdracht van de kerk om de psalmen opnieuw te berijmen. De bundel die uit hun hoofden en harten en handen is voortgekomen bevat gedichten die aan hoge taalkundige eisen voldoen.

En dat is een criterium voor een geestelijk lied: het is taal, dus mag je er taalkundige eisen aan stellen. Het is dichtwerk, dus mag je een goed zinsritme verwachten. Het moet gezongen worden, dus mag je een goed zingbare melodie eisen. En zinsritme en melodieritme moeten met elkaar kloppen.

Het is geen wonder dat een psalm als 149 pas in de nieuwe berijming een geliefde psalm is geworden. Probeer hem maar eens te zingen in de berijming van 1773 (de ‘oude’ berijming) en zing hem daarna in de nieuwe berijming!

Ingewikkelde melodieën, ingewikkeld ritme, syncopen-om-syncopen, begin er niet aan. We werken op een basisschool, dus moeten we ervoor zorgdragen dat de basis goed is. Dat uitgangspunt geldt voor rekenen (vierkantsvergelijkingen komen later wel); dat geldt voor gymnastiek (hoogwerken aan de trapeze leren ze later wel als ze naar een circusschool gaan); dat geldt voor muziek (ingewikkelde fuga’s van Bach en onbegrijpelijke popmuziek komen later wel aan de beurt); dat geldt voor handenarbeid (een zwaluwstaartverbinding leren ze eventueel wel op een cursus fijn-houtbewerken), enzovoorts. Dat is dus een tweede criterium: het moet eenvoudig zijn (niet te verwarren met simpel!), maar het moet wel ontwikkelingsmogelijkheden in zich hebben. Er is niets tegen ‘wegwerpliederen’, liederen die je één keer nodig hebt in een bepaalde situatie (zelfgemaakt door jou of door de kinderen?). Maar zorg ook voor liederen met uithoudingsvermogen. Je hoort wel eens zeggen: ze hoeven het nu nog niet te snappen, als ze er later maar wat aan hebben. Ze hoeven het inderdaad nog niet van a tot z te snappen, maar ergens moet wel iets meespelen dat de leerlingen nieuwsgierig maakt en te denken geeft. Dat valt niet te verwachten bij liedjes als ‘Mijn hartje is zo blij’. Daarin gaat het om ‘platte’ taal, het verwijst nergens naar en het roept niets op. Het is niets meer dan er staat. Een lied als bijvoorbeeld Liedboek gezang 57 ‘Zeven was voldoende, vijf en twee, zeven was voldoende voor vijfduizend langs de zee’ heeft daarentegen in al zijn eenvoud toch heel wat meer diepte. Er staat dus niet 5+2=7, dan ben je aan het tellen, nee, er staat ‘vijf en twee’ en dat zijn geen cijfers maar woorden. Natuurlijk gaat het over vijf broden en twee vissen, maar er komt een moment, vroeger of later (en misschien wel nooit) dat je denkt: hé, vijf (boeken van Mozes) en twee (testamenten). Er moet dus ook diepgang inzitten, hoe minimaal ook.

Dus: taalkundige, ritmische en melodische kwaliteit, eenvoud, diepgang. En pas deze criteria nou zelf eens toe wanneer je een lied gaat zoeken.

 Paul Kuiper - voorheen vakdidacticus voor de ...

  • Paul Kuiper - Voorheen vakdidacticus voor de musicale vorming in het basisonderwijs voor de regio Hengelo.

     

 

 

 

>>> terug 

 

Uit V&O

Wanneer je kinderen wilt inleiden in het de taal van godsdienst en geloof zul je voor hen geheimzinnige en soms nog onbegrijpelijke woorden gebruiken. Dat houdt het op z’n tijd ook spannend. Maar het mag geen vrijbrief zijn om kinderen op te schepen met liederen die ver boven hun niveau reiken. Anderzijds moeten kinderen ook kunnen groeien in liederen en in teksten en in het leren begrijpen van de symbolische taal met meerdere betekenislagen. Daar ligt voor hen en vooral voor jou als leerkracht een uitdaging die de moeite waard is. Kinderen kunnen heel veel begrijpen en voelen, soms meer dan je denkt. Dat is een belangrijk aandachtspunt wanneer je als leerkracht de leerlingen vanuit een ontwikkelingsgerichte visie wilt begeleiden. De intentie om leerlingen naar de zone van hun naaste ontwikkeling te begeleiden, geldt voor alle leerprocessen in de basisschool (zie hoofdstuk 2). Die intentie is eveneens van toepassing op de omgang met geloofsliederen. Daarbij geldt wel de voorwaarde dat je als onderwijsgevende de moeite om neemt om de betekenis van het lied eerst zelf te ontdekken. Dan pas kun je de leerlingen helpen bij de ontsluiting van het lied. Hoe kinderen er mee verder gaan, onttrekt zich vaak aan jouw waarneming, maar dat er wat gebeurt in hun hoofden is zeker.

 

  • Bron: V&O, Zingen met kinderen, Hoofdstuk 9.5.
Uit V&O

Wanneer je kinderen wilt inleiden in het de taal van godsdienst en geloof zul je voor hen geheimzinnige en soms nog onbegrijpelijke woorden gebruiken. Dat houdt het op z’n tijd ook spannend. Maar het mag geen vrijbrief zijn om kinderen op te schepen met liederen die ver boven hun niveau reiken. Anderzijds moeten kinderen ook kunnen groeien in liederen en in teksten en in het leren begrijpen van de symbolische taal met meerdere betekenislagen. Daar ligt voor hen en vooral voor jou als leerkracht een uitdaging die de moeite waard is. Kinderen kunnen heel veel begrijpen en voelen, soms meer dan je denkt. Dat is een belangrijk aandachtspunt wanneer je als leerkracht de leerlingen vanuit een ontwikkelingsgerichte visie wilt begeleiden. De intentie om leerlingen naar de zone van hun naaste ontwikkeling te begeleiden, geldt voor alle leerprocessen in de basisschool (zie hoofdstuk 2). Die intentie is eveneens van toepassing op de omgang met geloofsliederen. Daarbij geldt wel de voorwaarde dat je als onderwijsgevende de moeite om neemt om de betekenis van het lied eerst zelf te ontdekken. Dan pas kun je de leerlingen helpen bij de ontsluiting van het lied. Hoe kinderen er mee verder gaan, onttrekt zich vaak aan jouw waarneming, maar dat er wat gebeurt in hun hoofden is zeker.

 

  • Bron: V&O, Zingen met kinderen, Hoofdstuk 9.5.