homecontactkennisbankinloggensitemapzoeken  
vorige pagina pagina afdrukken
nzv uitgevers

JOHAN VALSTAR / JUNI 2009

...

 

De vraag van Ilse

Nog wat onwennig zoeken de studenten een plaats in het lokaal. Vandaag dus voor het eerst godsdienstonderwijs op de Pabo. Sommigen halen alvast hun module tevoorschijn en beginnen vluchtig te bladeren. Anderen taxeren de docent achter het bureau. Weer anderen zetten hun blik op oneindig, in afwachting van de dingen die gaan komen. De docent laat zijn oog over de klas glijden. Er valt een stilte; haast een meditatief moment. Na een korte kennismaking steekt hij van wal. "Schrijf maar op als eerste aantekening: Godsdienstonderwijs moet goed gegeven worden. Zo niet..., dan moet men het verbieden." Even blijft het doodstil. Er zijn studenten die elkaar een blik toewerpen. Bij een enkeling verschijnt een glimlach. Maar de meeste studenten staren de docent met grote ogen aan. En dan komt de dialoog op gang, een communicatief proces dat uiteindelijk vier jaar zal duren; net zo lang als de opleiding dus.

Vanaf de eerste les worden studenten geconfronteerd met hun eigen opvattingen. Uitgangspunt daarbij is de opvatting van de docent dat er voor de ILSE.jpgprofessionele ontwikkeling momenten van ‘constructieve frictie’ noodzakelijk zijn. Maar wanneer hij in de allereerste les een aantal criteria voor ‘goed godsdienstonderwijs’ aan de orde wil stellen en in dat kader eerst de ‘subjectieve concepten’ probeert te ontsluiten, ervaren de studenten nog niets van een ontwikkeling. Integendeel, aanvankelijk raken zij zelfs in verwarring. Zij krijgen het gevoel dat er toch wel erg veel van hen wordt gevraagd. Zeker wanneer hun opleider opmerkt dat je bij de voorbereiding van de vertelling grondig kennis moeten nemen van de tekst zoals die in de Bijbel staat. Dat is een probleem. Uitzonderingen daargelaten, hebben beginnende studenten nooit geleerd te lezen wat er staat geschreven. Laat staan dat zij hebben geleerd om te verstaan wat zij lezen. Bovendien raadt de docent de studenten aan om bij hun lesvoorbereiding geen gebruik te maken van kinderbijbels. Hoewel hij daar steekhoudende argumenten voor heeft, wordt dat advies hem niet in dank afgenomen.

Illustratief voor het toenemende gevoel van verwarring is wellicht het verhaal van Ilse. In haar portfolio blikt zij na de drie maanden terug op de ervaringen die zij met het godsdienstonderwijs heeft opgedaan. Ze schrijft: "Toen ik voor de Pabo koos, wist ik dat ik ook godsdienstlessen zou moeten geven. Voor mij was dat tamelijk vanzelfsprekend. Ik heb namelijk altijd op christelijke basisscholen gezeten. Thuis ben ik opgevoed met kinderbijbels en zo. Geloven in God vind ik voor mezelf belangrijk en dat wil ik daarom doorgeven aan leerlingen van de basisschool. Maar het vervelende is dat ik me nu opeens realiseer dat ik eigenlijk ontzettend weinig van de Bijbel afweet. En wat ik weet is heel fragmentarisch. Als ik met een Bijbeltekst aan de slag moet om een vertelling voor te bereiden, weet ik vaak niet wat het verband is, wat de woorden betekenen en waar het verhaal op slaat. En dan is het ook nog de bedoeling dat je in de basisschool een verwerking voor de leerlingen bedenkt, zodat ze de betekenis op hun eigen niveau ontdekken. Eerlijk gezegd, soms doe ik maar wat. Ik ben al blij als ik een bijpassend lied kan vinden. Je bent een eeuwigheid bezig om goede achtergrondinformatie op te duikelen. Sinds ik op de Pabo zit voel ik me gewoon een analfabeet ten aanzien van de Bijbel.”

Maar gelukkig is het niet allemaal kommer en kwel wat Ilse in haar portfolio te melden heeft. We citeren uit haar verslag een positieve leerervaring. “De gelijkenissen die tijdens de lessen vers voor vers zijn uitgelegd, waren voor mij volkomen nieuw, hoewel ik ze al lang kende. Wat mij betreft wordt er in elke godsdienstles op de Pabo een Bijbelverhaal uitgelegd. Zoiets is toch heel leerzaam, want ik denk niet dat er veel in onze klas zijn die zelfstandig met de verhalen uit de voeten kunnen.”

Wat de eerstejaarsstudente Ilse meldt, geeft te denken. Ik beperk me tot twee korte opmerkingen en een suggestie. Allereerst: achter haar uitspraak: ‘ik voel me gewoon een analfabeet’, schuilt een brede range van uiteenlopende factoren. Die laten zich alleen langs de weg van een grondige studie uitwerken. Dat neemt niet weg dat deze opmerking op een indringende wijze blijft resoneren. Zeker bij degenen die zich op de een of andere manier bezig houden met de godsdienstige opvoeding. In de tweede plaats: tegelijk klinkt bij Ilse het verlangen door naar een elementaire oriëntatie op de betekenis van teksten uit de Bijbel. Dat is begrijpelijk. Wanneer je goed godsdienstonderwijs wilt geven, moet je nu eenmaal over de nodige vakkennis beschikken. Overigens komt de motivatie bij Ilse voort uit een verassende ervaring op de Pabo. Daar leerde ze enkele bekende gelijkenissen lezen en de onbekende betekenissen verstaan. Haar docent beschikt kennelijk over de nodige deskundigheid om dat op een toegankelijke en verhelderende wijze te doen. Maar je mag aannemen dat hij binnen het opleidingsprogramma over te weinig speelruimte beschikt om gehoor te geven aan de wens om in elk college Bijbelverhalen te exegetiseren.

Afsluitend nog een suggestie. De docent begon zijn eerste vakcollege met de provocerende stelling: “Godsdienstonderwijs moet goed gegeven worden. Zo niet..., dan moet men het verbieden." We interpreteren deze uitspraak in positieve zin als een pleidooi voor vakinhoudelijke onderwijskwaliteit. Over wat ‘goed godsdienstonderwijs’ is kan men uiteraard van mening verschillen. Dat geldt niet voor de algemene voorwaarde van de aanwezigheid van een elementaire kennisbasis. Die voorwaarde staat als zodanig op geen enkele Pabo ter discussie. De vraag is evenwel hoe aan die voorwaarde per vakdomein daadwerkelijk wordt voldaan. Daar attendeert Ilse met haar vraag op. Het antwoord zal per Pabo sterk verschillen en is niet zo eenvoudig te geven. Kunnen aankomende leraren basisonderwijs inderdaad beschikken over specifieke handreikingen als het gaat om elementaire kennis van het boek der boeken? Voor zover ik weet, is op protestantse en katholieke Pabo’s nog geen onderzoek gedaan naar de kwaliteit van de (theologische en hermeneutische) kennisbasis. Mocht dat nog eens gebeuren, dan verdient het aanbeveling om tevens te onderzoeken in hoeverre de gangbare methoden voor het godsdienstonderwijs en de schoolcatechese daarin op een kwalitatieve wijze voorzien. Voor zover dat niet het geval mocht zijn, ligt de volgende suggestie voor de hand. Het zou een geweldige stap vooruit zijn wanneer de schoolmethoden, - naast de bestaande didactische arrangementen, toegankelijke en heldere elementaire handreikingen zouden bevatten. Vraag het maar aan Ilse en de andere aankomende leraren basisonderwijs.

 

Literatuur

Valstar, J.G. Vakontwikkeling en Bijbeldidactiek. In: Godsdienstpedagogisch Tijdschrift VOORWERK 12/2 - mei 1996, p.46-47.

Valstar, J.G. Mooie verhalen, maar de Bijbel lezen kan ik niet. In: Godsdienstpedagogisch Tijdschrift VOORWERK 13/3 - juli 1997, p.12-19.

 Johan Valstar - senior lerarenopleider godsdienst ...

  • Johan Valstar - Senior lerarenopleider godsdienst & levensbeschouwing aan de Pabo Windesheim.

 

 

 

 

 

 

>>> terug

 

Beginners

Kader beginner (bij Ilse).jpg

De indringende vragen waarmee studenten, of beter gezegd: aankomende leraren worden geconfronteerd, zijn door dr. Hans Vonk beschreven in een drietal samenhangende dimensies.

 

1.De persoonlijke dimensie. Kenmerkende vragen zijn: ‘Kan ik mijzelf blijven, of moet ik mij aanpassen, - of zal ik mij voorlopig aanpassen en later mijn eigen weg kiezen? Of zal ik nu al mijn eigen weg kiezen?’ En: ‘Heb ik wel het goede beroep gekozen?’

 

2. De dimensie van kennis en vaardigheden. Kenmerkende vragen zijn: ‘Heb ik wel genoeg kennis van zaken? Waar haal ik mijn kennis vandaan? Aan welke criteria dient een goede les te voldoen? Hoe leer ik de leerlingen hoe ze moeten werken? Hoe moet ik de schoolmethoden hanteren? Hoe krijg ik moeilijke situaties onder controle?’

 

3. De contextuele dimensie. Kenmerkende vragen zijn.: ‘Wat is mijn plaats en functie in deze stageschool? Welke geschreven en ongeschreven regels zijn van belang? Welke verwachtingen hebben de leerlingen, de mentor, andere leerkrachten en de ouders van mij? En met welke verwachtingen van de docenten van de Pabo moet ik rekening houden?’

  • Zie verder: Verwonderen & Ontdekken / hoofdstuk ‘Kijk op godsdienstonderwijs’ 1.2.