homecontactkennisbankinloggensitemapzoeken  
vorige pagina pagina afdrukken
nzv uitgevers

Over het begin van de godsdienstdidactiek (2/3)

...

De Catechizandis Rudibus

Alleen al gelet op de omvang van het geschrevene (bij benadering meer dan 27.700 woorden op zo’n 38 A4’s), heeft Augustinus het probleem van Deogratias Augustinus als onderwijsgevende - detail fresco ...hoogst serieus genomen. Zijn betoog bestaat uit twee delen. In het eerste deel gaat hij uitvoerig in op de gestelde vragen. Hij poogt ook de mogelijke oorzaken van de frustratie bij zijn broeder uit Carthago te achterhalen. Al met al komt Augustinus uit op zes overwegingen die te denken geven. Aansluitend voorziet Augustinus Deogratias van twee exemplarische toespraken, waarin de principes van het eerste deel worden toegepast.

Hoewel wij 1600 jaar later in een volstrekt andere culturele context leven, zijn de adviezen opmerkelijk genoeg nog steeds op een aantal punten relevant voor (aankomende) leraren. Zo attendeert Augustinus er bijvoorbeeld op, dat het raadzaam is om de nodige aandacht te besteden aan de motivatie en tevens rekening te houden met de onderlinge verschillen. Onder de catechisanten bevonden zich immers ongeletterden en ongeschoolden. Anderen hadden daarentegen een hoogwaardige opleiding genoten. Qua beginsituatie maakt het een en ander natuurlijk nogal wat uit. Met zijn raadgevingen grijpt Augustinus overigens terug op methodische inzichten van de befaamde rhetor Quintilianus (circa 40 - 100 na Chr.). Maar Augustinus beperkt zijn adviezen niet tot praktische regels uit het didactische repertoire van de rhetorica. Hij onderbouwt zijn betoog ook met elementaire noties van theologische aard. Om die reden verdient hij met recht de kwalificatie van godsdienstpedagoog.

 

Basisconcept

Achter de handreiking van Augustinus blijkt bij nadere lezing een basisconcept te liggen. Daarin staat de notie van God’s liefde centraal. God is volgens Augustinus niet ver weg, maar heel dichtbij. Hij deelt zichzelf mee; hij heeft zijn liefde aan de mensen geopenbaard in de menswording van Jezus. En wanneer mensen ontdekken hoe eindeloos groot God’s liefde voor hen is, - zelfs als zij niets met hem hebben en ver van hem afdwalen, dan kan - omgekeerd - bij hen het vuur van de liefde voor God ontvlammen. Dat vuur kan zich tegelijk uiten in de liefdevolle zorg voor de naaste, zoals die door Jezus is voorgeleefd. In het betoog van Augustinus fungeert de naastenliefde van Jezus bij wijze van spreken als een spiegel. De catecheet zou eigenlijk, – net zoals Jezus, vanuit een liefdevolle betrokkenheid op de beginnende aspirant gelovigen moeten handelen. Dus niet vanuit een bepaald eigenbelang of eigen genoegen, in welke vorm dan ook.

Augustinus verwijst in dit verband naar Jezus, die zichzelf helemaal heeft gegeven en in de menselijke diepte is afgedaald (Vgl.: Filippenzen 2: 6 – 8). Het principe van de vereenzelviging met degenen die je wilt bereiken, of vereenzelviging met de zwakken, zoals Paulus zegt (Vgl.: 1 Korintiërs 9: 22), is bij Jezus terug te vinden.

Met deze theologische verdieping brengt Augustinus ons bij het meest fundamentele motief achter zijn handreiking aan Deogratias: liefde. Augustinus voert dit motief terug op een tweevoudige inspiratiebron, te weten: de liefde van God voor de mens en de liefde van de mens voor de medemens. We zouden het motief van Augustinus op een eigentijdse manier in didactische termen kunnen opvatten opvatten als: betrokkenheid van de onderwijsgevende op de leerlingen. Die betrokkenheid is geen eenrichtingsverkeer. In de visie van Augustinus is sprake van een wederkerige betrokkenheid tussen de onderwijsgevende en de leerling. Een citaat: 'Wanneer onze leerlingen geroerd worden door ons spreken en wij door hun leren, komen wij in elkander wonen, zodat zij als het ware in ons gaan spreken wat zij horen, en wij, om zo te zeggen, in hen gaan leren wat wij onderwijzen'. Met andere woorden: de betrokkenheid waar Augustinus op doelt, doet recht aan de de leerlingen en veronderstelt van de kant van de onderwijsgevende de aanwezigheid van een empathisch vermogen, en nog meer: het vermogen tot persoonlijke identificatie.

Elders in zijn handreiking aan Deogratias verheldert hij deze competentie met prachtige metaforen. We noteren er twee.

 

• De eerste metafoor is die van de moeder die haar kind voedt. Als het kind te groot is geworden voor borstvoeding, maar nog te klein voor de lepel, kauwt zij het eten voor. En als zij dat doet, koestert zij haar kind en gaat het belang van haar kind voor alles: "Het is immers voor een moeder aantrekkelijker haar kind kleine voorgekauwde hapjes in het mondje te spugen, dan zelf grote happen te kauwen en door te slikken…”

 

• In de tweede metafoor trekt hij een vergelijking met het geven van een rondleiding aan bezoekers die onbekend zijn in een mooie stad of streek. Zelf heb je inmiddels zo aan de omgeving t, dat je eenvoudigweg geen oog meer hebt voor het prachtige uitzicht. Maar wanneer je, - zoals Augustinus opmerkt, meemaakt hoe de bezoekers genieten van wat er allemaal te zien valt, komt door de gewaarwording van de vreugde die zij beleven, jouw eigen vroegere vreugde opnieuw terug. Deze vergelijking roept associaties op modern opvattingen over ‘Discovery Learning’ (Jerome Bruner)

 

 

 

Pagina 2 van 3

Lees verder >>>

 

 

 

 

Innerlijke weerzin

- “Ik heb maar één luide klacht van jou gehoord: wanneer jij iemand laat kennismaken met het christendom vind je je eigen betoog 'waardeloos en ondermaats'. Dat komt, weet ik, niet door gebrek aan stof (ik besef dat je op dit punt voldoende bent voorbereid en toegerust) of door gebrek aan taalvermogen, maar door een innerlijke weerzin. Misschien is dat vanwege de reden die ik noemde: we beleven meer genoegen en worden meer geboeid door wat we in stilte waarnemen in de geest. En daarvan willen we niet worden weggeroepen naar het geraas van woorden dat daarvan zo sterk verschilt. “

 

- “Of misschien is het zo dat we het houden van een betoog wel aardig vinden, maar ook willen horen of lezen wat door anderen beter is uitgedrukt en wat zich aandient zonder onze inzet en zorg. Zoiets doen we dan liever dan improviserend woorden aanpassen aan andermans begripsvermogen met onzekere afloop: schieten ons wel de juiste woorden te binnen voor wat we bedoelen? En heeft ons gehoor er echt iets aan? Of misschien komt het doordat de lesstof voor beginners bij onszelf overbekend is. We hebben die niet meer nodig om zelf verder te komen, en daarom hebben we geen zin om er heel vaak bij terug te keren. Het is dan een platgetreden pad, een soort kinderspel. Onze geest, die al een tikje groter gegroeid is, heeft daar geen enkel plezier meer in.”

 

- “Weerzin bij een spreker kan ook komen door een gehoor dat geen reactie geeft. Niet dat het ons past te vissen naar lof van mensen, maar wat wij overbrengen zijn dingen van God! Hoe meer genegenheid we voelen voor de mensen voor wie we spreken, des te vuriger willen we dat zij aanvaarden wat ze aangereikt krijgen voor hun heil! Lukt dat niet, dan stoort ons dat, dan gaan we midden in de race totaal onderuit, alsof al onze moeite voor niets is.”

 

* Fragmenten uit hoofdstuk 14.

 

Bron: Aurelius Augustinus, Goed Onderwijs, Christendom voor beginners. Vincent Hunink & Hans van Reisen. Damon, Budel 2008; 2e druk 2009