homecontactkennisbankinloggensitemapzoeken  
vorige pagina pagina afdrukken
nzv uitgevers

JOHAN VALSTAR / JANUARI 2010

...

 

 

Goed godsdienstonderwijs

Uitdaging

De Franse filosoof Paul Ricoeur (1913 - 2005) stelde ooit: ‘Alleen een eigentijds denken dat zijn bronnen opnieuw interpreteert, heeft toekomst’. Die stelling heb ik altijd opgevat als een kritisch adagium voor het godsdienstonderwijs. Zowel op de lerarenopleiding als in het basisonderwijs. Dat leverde anderzijds door de jaren heen telkens opnieuw de niet eenvoudige vraag op hoe ik de door Ricoeur gestelde uitdaging op een concrete wijze zou kunnen oppakken. Achteraf bekeken was het de theoloog en godsdienstpedagoog dr. Gerhard Brockmann, destijds werkzaam aan het Godsdienstpedagogisch Centrum Schönberg bij Frankfurt, die mij met zijn herinterpretatie van bijbelse basismotieven en zijn mediadidactiek op een nieuw spoor zette. Brockmann had als lerarenopleider het lef om geheel eigentijdse antwoorden te zoeken op de problematiek die hij heel kernachtig omschreef als: ‘de spiraal van de oppervlakkigheid’. Daarmee doelde hij op het tekort aan zinvolle ervaringen en het verlies aan relevante betekenissen in het godsdienstonderwijs. Gelet op zijn realistische insteek was het geen wonder dat zijn trainingen in Schönberg hoog werden gewaardeerd. Zijn innovatieve ideeën boden de cursisten aansprekende aanzetten voor de upgrade van de eigen onderwijspraktijk. Van Brockmann werd gezegd: ‘Wie Beelddidactiek - Visualisering van de bevrijdende ...eenmaal bij hem in de leer is geweest, komt met geheel nieuwe opvattingen thuis’. Dat was ook mijn ervaring. Van hem leerde ik onder andere dat de interpretatie en betekenisgeving van beeldmateriaal voor leerlingen minstens zo belangrijk kan zijn als het aanbod van verhalen en teksten. Dat bracht mij (bijvoorbeeld) op het idee om de bevrijdende betekenis van de tien woorden van Mozes voor de studenten van de Pabo Windesheim op een elementaire wijze te visualiseren. De bijgaande afbeelding van de duif met tien vingers werd door hen vervolgens vele malen als symbooldidactisch incentief gebruikt om leerlingen in de basisscholen aan het denken te zetten over de bevrijdende betekenis van de ‘tien geboden van Mozes’.

 

Gerhard Brockmann voerde een nadrukkelijk pleidooi voor ‘Schülerorientierung ’. Hij zag elke godsdienstles als een volstrekt unieke uitdaging om de leerlingen nieuwe inzichten te laten ontdekken. Het werken vanuit vastliggende routines beschouwde hij als ‘de dood in de pot’. Als onderwijsgevende moest je de leerlingen met krachtige incentieven aan het denken zetten.

Kortom: Brockmann legde de lat voor de werkers in het veld van het godsdienstonderwijs zeer hoog. Zijn primaire uitgangspunt was dat leerlingen gewoon het recht hebben op goed godsdienstonderwijs. Niets meer en niets minder. Aan dat uitgangspunt heb ik mij de afgelopen decennia getracht vast te houden. Dat is trouwens ook de reden dat ik tot op de dag van vandaag elke uitnodiging van een basisschool of een schoolvereniging accepteer om een verhaal te houden over ‘goed godsdienstonderwijs’. Op zo’n uitnodiging ga ik altijd met het grootste genoegen in.

 

Studiebijeenkomst

Zo kwam ik de afgelopen week terecht op een grote christelijke basisschool (65 personeelsleden). Jaarlijks organiseert het management een studiebijeenkomst over identiteit. Voor de uitvoering van het programma waren een beroepscoach en ondergetekende als godsdienstpedagoog uitgenodigd. Allereerst om een inleiding te geven over ‘werken met identiteit’. Als werkkader werd de brede identiteit van de school omschreven als het geheel van de levensbeschouwing, in de vorm van de pedagogische -, didactische -, en onderwijskundige principes, inclusief de cultuur en de schoolorganisatie. Aansluitend volgden parallelle workshops over (a) de ‘persoonlijke roots’ van de leerkrachten in relatie tot de schoolidentiteit en (b) de elementaire betekenissen van Bijbelverhalen voor de leerlingen.

 

Monoperspectief

In mijn bijdragen kwam de vraag ter sprake in hoeverre een Bijbelverhaal van toen nog relevant kan zijn voor leerlingen anno 2010. Om die vraag nog scherper te stellen stak ik exemplarisch in bij een verhaal uit het Marcusevangelie over ‘de genezing van de melaatse’. Dat stond die week op de agenda van de godsdienstmethode. Tijdens de interacties met de leerkrachten bleken zij geweldig geïnteresseerd te zijn in de context en de mogelijke levensbetekenis van het wonderverhaal. Maar juist die twee spotlights, die zondermeer voorwaardelijk zijn als men nog van godsdienstonderwijs wil spreken, waren nauwelijks in de godsdienstmethode terug te vinden. Die lacune zou men kunnen verklaren uit de voorkeur van de auteurs voor sociaal-emotionele interpretaties en sociale vaardigheden. Vanuit dat monoperspectief worden de verhalen uit de Bijbel naar de leerlingen gebracht. Met alle gevolgen van dien. De figuur van Jezus fungeert dan eenvoudigweg als een voorbeeld om ‘zelf ook voor anderen te gaan zorgen’. Tja, het is natuurlijk al heel wat wanneer de leerlingen dit gegeven inderdaad oppakken. Maar wanneer het perspectief van de sociaal-emotionele ontwikkeling als het alles bepalende interpretatiekader Goed godsdienstonderwijs.jpg(passe- partout) over de Bijbelverhalen wordt gelegd, gaat het niet meer om het authentieke verhaal volgens het evangelie van Marcus, dat als juist als uitgangspunt zou moeten fungeren. Dan wordt de raadselachtige hoofdpersoon Jezus van Nazareth met zijn ‘Messias geheim’ gereduceerd tot een mens die ‘goede dingen doet’. Als zodanig blijkt hij dan zondermeer verwisselbaar met ieder ander mens die vanwege verdienstelijke goede werken boven het maaiveld van de geschiedenis uitsteekt. Het zal duidelijk zijn dat er vervolgens vanuit het verhaal van het Marcusevangelie niets nieuws meer over Jezus te ontdekken valt. Evenmin valt er voor de leerlingen nog iets in godsdienstige zin te leren. Als Jezus in de godsdienstmethode permanent als een exempel van een sociaal gedrag wordt neergezet, gaan de verhalen over hem op den duur allemaal op elkaar lijken. En dan heeft zijn optreden - hoe bijzonder ook - de leerlingen al gauw helemaal niets meer te zeggen.

 

Na de bovenstaande kritische kanttekeningen is een relativerende opmerking op z’n plaats .Uit eigen ervaring weet ik dat het razend lastige opgave is om een goede godsdienstmethode te ontwikkelen voor de brede range van het protestants christelijke basisonderwijs in Nederland.

Anders dan in Engeland en Duitsland, waar het godsdienstonderwijs een regulier vakgebied is, beschikken we in Nederland niet over expertisecentra met deskundigen die op een inspirerende wijze bezig zijn met de upgrade van het godsdienstonderwijs. Het valt het auteurs van Nederlandse godsdienstmethoden dan ook niet al te zeer kwalijk te nemen dat zij geneigd zijn om terug te grijpen op hun sociaal-emotionele inzichten en intuïties. Maar daarmee zijn de gebruikers in het veld van het basisonderwijs, in casu: de leerkrachten, - althans gelet op hun reacties tijdens mijn workshops, niet op een adequate wijze geholpen. Zij krijgen geen substantiële handreikingen in godsdienstpedagogische zin. Daar moeten zij zelf voor zorgen. Alle goede bedoelingen ten spijt, zouden de auteurs zich naar mijn idee op een meer evenwichtige wijze dienen te oriënteren op bijbeldidactische inzichten. Dat vraagt om de nodige tijdrovende research, maar dat kan, - naar mijn jarenlange ervaring met Pabostudenten, wel degelijk het een en ander aan verdieping en kwaliteitsverbetering opleveren. In dit verband verwijs ik naar het fascinerende werk van de godsdienstpedagoog Ingo Baldermann. Hij stelde op basis van zijn gesprekken met kinderen vast dat het in de bijbeldidaktiek niet primair gaat om vaardigheden waarmee de bijbel op een vereenvoudigde wijze naar de leerlingen kan worden gebracht, maar veeleer om de omgekeerde beweging: de exploratie van de leerlingen naar de bijbel toe Die benadering voorkomt de reductie van bijbelteksten tot sociaal-emotionele wijsheden. De ervaring leert overigens dat de leerlingen geen boodschap hebben aan annexe moralistisch gekleurde aansporingen.

 

De vertelschets volgen…

Gelet op hun reacties tijdens de workshop, hadden de leerkrachten de moralistische tendens van hun eigen godsdienstmethode ook zelf i n de gaten. Enkele leerkrachten gaven aan dat zij nog de moeite hadden genomen om op internet meer informatie te zoeken over de aard en de betekenis van melaatsheid in de tijd van Jezus. Hun initiatief verdient natuurlijk alleen al een geweldige pluim! Maar het merendeel was begrijpelijker wijze niet veel verder gekomen dan het eenvoudigweg volgen van de vertelschets en de aangegeven gesprekspunten voor ‘na de vertelling’. Het was verrassend dat at sommigen van hen heel eerlijk en zonder enige gêne vertelden dat hun godsdienstles eigenlijk niet veel meer inhield dan de voorlezing van de kant en klare vertelschets uit de godsdienstmethode. De godsdienstmethode had immers niet veel meer te bieden. Daar waren zij bij navraag overigens weinig gelukkig mee. Zij gaven aan dat zij bij gebrek aan de nodige kennisbasis niet in staat waren om het genezingsverhaal van de melaatse op de een of andere zinnige wijze met hun leerlingen te duiden.

 

Hoe dan wel?

Om die intrigerende vraag te beantwoorden heb ik fasegewijze een toelichting Lessenreeks Profeten - Rainer Oberthur.jpggegeven op een thematische lessenreeks over profeten van de katholieke godsdienstpedagoog Rainer Oberthür. Hierin komen de leerlingen tot de conclusie dat zij nota bene zelf profeet kunnen zijn wanneer zij de waarheid spreken namens God (….). Het ontwerp van zijn lessenreeks beschouw ik als een ‘State of the Art’ voorbeeld van hoe het idealiter zou kunnen. Na afloop van de toelichting werd in beide workshops bij herhaling vraag gesteld naar een soortgelijke Nederlandse methode. Die vraag is heel begrijpelijk. Maar anders dan in Engeland en Duitsland zijn het in Nederland vooralsnog uitgeverijen die met hun marktprincipes bepalen wat leerkrachten in het basisonderwijs onder ‘goed godsdienstonderwijs’ dienen te verstaan. Vanuit het kritische adagium van Paul Ricoeur: ‘Alleen een eigentijds denken dat zijn bronnen opnieuw interpreteert, heeft toekomst’, valt er veel te verbeteren.

 Drs. Johan Valstar.jpg

  • Johan Valstar werkte als senior lerarenopleider godsdienst & levensbeschouwing aan de Pabo Windesheim. Hij verricht thans promotieonderzoek met betrekking tot de innovatie van het godsdienstonderwijs aan de lerarenopleidingen basisonderwijs.

 

 

 

 

 

>>> Naar het archief