homecontactkennisbankinloggensitemapzoeken  
vorige pagina pagina afdrukken
nzv uitgevers

JOHAN VALSTAR / MEI 2010

...

Theologiseren met kinderen anno 1796

In een vitrine van het Comenius Museum te Naarden ontdekte ik onlangs het De geschiedenis van Jozef (1).jpgboekje ‘De Geschiedenis van Jozef voor Kinderen’. Het bleek geschreven te zijn door de jonge theoloog en filosoof Willem van Oosterwijk Hulshoff (1771-1795). Het bijzondere van zijn werk zit ‘m in de aansprekende manier waarop verslag wordt gedaan van godsdienstige gesprekken met kinderen tussen de zeven en twaalf jaar. Zij waren bij de schoolmeester en zijn vrouw in de kost, om de eenvoudige reden dat zij uit ver afgelegen plaatsen kwamen. In de wintertijd konden zij niet naar huis. De meester vulde de avonden met het vertellen van verhalen. Daarbij stimuleerde hij de kinderen om vooral vragen te stellen. Van die gelegenheid maakten zij dan ook vrijmoedig gebruik.

Het boekje dat in 1796 onder de vlag van De Maatschappij tot Nut van 't Algemeen verscheen, trok destijds grote aandacht. De stijl van de dialogische leergesprekken werd zelfs door sommige auteurs gekopieerd.

‘De Geschiedenis van Jozef voor Kinderen’ geeft ons, - ruim tweehonderd jaar na dato, een unieke impressie van godsdienstpedagogische inzichten, zoals die destijds door Willem van Oosterwijk Hulshoff onder woorden zijn gebracht. Ook voor lezers anno nu is het een plezier om kennis te nemen van de leergesprekken, waarin de vragen van kinderen serieus worden genomen. En dan te bedenken dat zoiets destijds ongebruikelijk was. Gewoonlijk moesten kinderen antwoorden uit het hoofd leren op vragen die zij niet gesteld hadden.

Bestseller

Het boekje van Willem van Oosterwijk Hulshoff werd in het Nederlandse Willem van Oosterwijk Hulshoff.jpgonderwijs tot 1857 veelvuldig gebruikt. De 21e Nederlandse editie verscheen in 1870. Naar schatting zijn er in totaal zo’n 200.000 exemplaren van ‘De Geschiedenis van Jozef voor Kinderen’ verkocht. Ook buiten de landsgrenzen bestond zowaar belangstelling. Er werden Franse en Duitse vertalingen uitgebracht. Willem’s erudiete vader, de predikant dr. Allard Hulshoff, moet voor zijn zoon een belangrijke bron van inspiratie zijn geweest. Vader en zoon Hulshoff hadden met elkaar gemeen dat zij beiden in hoge mate geïnteresseerd waren in de godsdienstige opvoeding van kinderen.

De auteur Willem van Oosterwijk Hulshoff heeft het enorme succes van zijn bestseller helaas niet mogen meemaken. Hij had jaren lang ernstige problemen met zijn gezondheid en overleed op 17 mei 1795.

Conversaties

In zijn 71 bladzijden tellende ‘Geschiedenis van Jozef voor Kinderen’, beschrijft Willem van Oosterwijk Hulshoff de conversaties van een schoolmeester met zijn leergierige leerlingen. Zij worden bij name genoemd. Het gaat om de meisjes Keetje (7 jaar), Jansje (8 jaar), Mietje (9 jaar), Kaatje (10 jaar), Chrisje (11 jaar), en de jongens Pietje (8 jaar), Jantje (9 jaar), Keesje (10 jaar), Heintje (11 jaar) en Kootje (12 jaar). Tijdens de eerste bijeenkomst doet de meester, - naar aanleiding van de positieve respons van de kinderen, het voorstel om een nieuw verhaal uit de Bijbel te vertellen. Maar hij wil desgewenst ook wel iets anders aan de orde stellen.

Keesje

De tienjarige Keesje haakt af bij het voorstel van de meester voor de vertelling van een nieuw Bijbelverhaal. Gewoon omdat hij de Bijbel eigenlijk ‘toch geen plezierig boek vindt’. Op die reactie gaat de meester direct in, met de vraag of Keesje de Bijbel dan wel heeft gelezen. Hierbij een (licht aangepast) tekstfragment.

 

Keesje reageert: ‘ Ja meester, thuis bij mijn ouders moest ik elke morgen een heel uur uit de Bijbel lezen. En als ik stout was geweest nog veel langer.’ De meester: ‘Zo, nu snap ik waarom je de Bijbel niet plezierig vond. Je was nog te jong om de Bijbel in je eentje te begrijpen. En als je iets bij wijze van straf moet lezen, heeft iedereen daar ook altijd moeite mee. Ik zal je ouders vragen of zij dat niet meer willen doen als je weer thuis bent.

Luister maar, naar wat ik uit hetzelfde boek zal vertellen. Ik weet zeker dat het je zal bevallen. Je zult spoedig merken dat de Bijbel een voortreffelijk boek is. Je zult daar naderhand graag vanzelf in willen lezen en daar kun je wellicht heel veel van opsteken.’ Keesje reageert: ‘OK meester, als dat zo is, begint u maar.’

Chrisje en Kaatje

Tijdens de derde bijeenkomst komen vragen op tafel die we vandaag de dag zonder enige aarzeling zouden thuis brengen onder de moderne noemer van ‘theologiseren met kinderen’.

Neem de elfjarige Chrisje bijvoorbeeld. Zij is bezig met geloofsvragen en begrijpt echt niet hoe ‘onze Lieve Heer het kan toelaten dat iemand ongelukkig kan worden door zijn vroomheid’. De tienjarige Kaatje, die kennelijk moeite heeft met het al te eenvoudige antwoord van de meester, valt Chrisje bij: ‘Maar lieve meester, als een heel goed iemand op zee omkomt, wanneer maakt God hem dan gelukkig? Dan is zo iemand toch immers dood?’

Omgaan met vragen

Tja, het zijn heel lastige vragen waarmee de schoolmeester anno 1796 door de kinderen wordt geconfronteerd. Hij doet zijn best om naar de theologische en pedagogische inzichten van toen een zinnig antwoord te geven op de vraag waarom het kwaad goede mensen treft.

Hoe dan ook, het is de verdienste van de door ‘De Geschiedenis van Jozef voor Kinderen’ gecreëerde schoolmeester, dat hij daadwerkelijk naar de grote en kleine vragen van de aan hem toevertrouwde kinderen luistert en met hen ook over elementaire geloofsvragen in gesprek treedt.

Van zijn godsdienstpedagogische benadering kunnen leerkrachten en auteurs van schoolmethoden ook nu nog het een en ander leren. In ieder geval dat het leren van leerlingen in de eerste plaats draait om het proces van betekenisgeving. Een dergelijke doelstelling vraagt om specifieke methoden waarbij de leerlingen vragen mogen stellen en de ruimte krijgen om hun eigen meningen, opvattingen en interpretaties ter sprake te brengen. Op de verdiensten van de meester in ‘De Geschiedenis van Jozef voor Kinderen’, is weinig aan te merken. Hij past helemaal in het klassieke beeld van de ideale schoolmeester, die een pedagogisch hart voor de leerlingen heeft en al hun vragen op deskundige wijze weet te beantwoorden. Ook de lastige vragen van Chrisje en Kaatje. Voor de door Willem Oosterwijk Hulshoff beschreven meester zijn alle vragen in zekere zin oplosbaar. In de godsdienstpedagogiek van de 21e eeuw wordt daar anders over gedacht. Er zijn oplosbare vragen, maar net zo goed vragen die per definitie onoplosbaar zijn (zie V&O: hoofdstuk 7.3). Het klinkt misschien als een paradox, maar wie daar oog voor heeft, kan kinderen verder helpen.

 


Bronnen:

- Willem van Oosterwijk Hulshoff: De Geschiedenis van Jozef voor Kinderen. Uitgegeven door de Maatschappij Tot Nut van ’t Algemeen. Te Leyden bij D. du Mortier en Zoon. 1796.

- A.R. Van Wijk: Leren & plichten: Een onderzoek naar de ontwikkeling van de doperse geloofsopvoeding in de Lage Landen (ca. 1540 tot 1811), Aan de hand van de in druk verschenen geschriften. Amsterdam: Vrije Universiteit, 2007.

– Johan Valstar, Studiedag ‘Goed godsdienstonderwijs’ / CBS Johan Friso Dordrecht 2010.

 

 

 Johan Valstar.jpg

Johan Valstar werkte als senior lerarenopleider godsdienst & levensbeschouwing aan de Pabo Windesheim. Hij verricht thans promotieonderzoek met betrekking tot de innovatie van het godsdienstonderwijs aan de lerarenopleidingen basisonderwijs.

 

 

 

>>> Naar het archief

 

 

Grote vragen...

Grote vragen....jpg

 

+ Kinderen blijven kleine en grote vragen stellen. Zij zijn op zoek naar betrouwbare personen waarmee ze over hun vragen kunnen praten. Vaak zijn het juist hun ‘grote vragen’ die ons als volwassenen in verlegenheid brengen; omdat ook wij moeite hebben met de antwoorden. Wat is het bijzondere aan ‘de grote vragen’? De filosoof Heinz von Fürster wijst in dit verband op een belangrijk aandachtspunt: hij maakt een onderscheid tussen oplosbare vragen en vragen die per definitie onoplosbaar zijn. De oplosbare vragen zijn vaak allang beantwoord, of zij laten zich al redenerend beantwoorden.

 

+ Het kenmerk van onoplosbare vragen is dat we zelf een beslissing moeten nemen. Het antwoord op onoplosbare vragen ligt uiteindelijk bij ons zelf. Als onderwijsgevenden hebben we niet alleen de vrijheid maar ook de pedagogische verantwoordelijkheid om onze antwoorden te kiezen.

 

+ Wanneer onoplosbare vragen in de groep ter sprake komen, staat of valt het gesprek met de pedagogische relatie tussen leerkrachten en leerlingen. Juffen en meesters weten heel veel, maar lang niet alles. Ook wanneer de leerkracht op de hoogte is van theologische ideeën over Jezus, kan daar bijvoorbeeld nooit het geheim van de menswording van God worden verklaard. En juist dit besef van de eigen beperkingen en grenzen kan leerkrachten heel dicht bij de leerlingen brengen. Wanneer leerkrachten hun leerlingen over onoplosbare zaken iets zinvols zouden willen meegeven, dan kan dat alleen maar op basis van authenticiteit en in de vorm van een reactie die in feite het karakter draagt van een persoonlijke geloofsuitspraak of een geloofsbelijdenis.

 

+ Het is trouwens heel bijzonder dat ook een kind al zo’n geloofsuitspraak of geloofsbelijdenis onder woorden kan brengen. Daarvoor hoef je niet volwassen te zijn. In dit verband nog een aandachtspunt. Het is heel belangrijk om je te realiseren dat uitspraken van kinderen misschien heel ‘anders’, maar nooit ‘minder’ zijn dan die van de juf of de meester.

 

  • Bron: Verwonderen & Ontdekken. Blz. 204 / 205.