homecontactkennisbankinloggensitemapzoeken  
vorige pagina pagina afdrukken
nzv uitgevers

GERDA VALSTAR - NIEUWENHUISEN / JUNI 2010

...

Als kinderen vragen stellen...

"Zijn er ook slangen met pootjes? Hoe voelt het als je dood bent? Waarom heeft die meneer maar één been?” Kleine kinderen kunnen de hele dag door vragen stellen. Als ouder ben je Jonge kinderen.JPGsoms geweldig trots op de leergierigheid van je kind, maar af en toe heb je er even genoeg van. Dat is geen wonder: een kind kan bij tijd en wijle meer vragen stellen dan tien ouders kunnen beantwoorden. Dat mag dan waar zijn, anderzijds zijn kinderen voor hun kleine en grote vragen en hun persoonlijke ontwikkeling toch in de eerste plaats aangewezen op hun eigen ouders. Maar ja, ga daar maar eens als moeder of vader aan de slag! Hoe moet je met kindervragen omgaan? Dat is een vaak gestelde vraag.

Deze column bevat een fragment uit een meer omvattende handreiking voor ouders die zich willen verdiepen in de levensbeschouwelijke en godsdienstige communicatie met hun kinderen.

Vragen naar veiligheid

Voor kleine kinderen is de wereld vol nieuwe dingen die ze als vanzelfsprekend aannemen. De zon gaat ’s morgens op en ’s avonds wordt het vanzelf weer donker. Als je een belletje beweegt, gaat het klingelen. Als je op de knop van de TV drukt, komen er bewegende beelden tevoorschijn. Maar op een gegeven moment kan het gebeuren dat niet alles meer vanzelfsprekend is. En dan komen de vragen. “Gaat de zon morgen eigenlijk wel weer op? Ook als ik niet kijk? Ook nog als ik dood ben? Waar blijft de zon als ze ondergaat?” En: “Waarom waait het zo hard?” En: “Waar komt de regen vandaan?”

Als ouder wil je de vragen van je kind beantwoorden. Maar dat is niet zo eenvoudig. De wereld blijkt op zo’n moment opeens razend ingewikkeld in elkaar te zitten. Hoe geef je dan ‘het juiste antwoord’ en dan ook nog op een manier waarmee je kind er mee uit de voeten kan? Als ouders hun uiterste best doen om moeilijke kwesties goed uit te leggen, merken ze tot hun verbazing dat hun kinderen soms helemaal niet luisteren naar het antwoord. Dat behoeft geen desinteresse te zijn. Het is zeer wel mogelijk dat het kind eigenlijk iets heel anders bedoelde te vragen. Bijvoorbeeld: “Kan ik er van op aan dat de wereld blijft zoals hij is; gaan er geen onverwachte dingen gebeuren?”

In dat geval heeft het kind meer aan een geruststellende opmerking, dan aan een natuurkundige uiteenzetting over de wind of de regen. Dan zijn eenvoudige reacties afdoende, zoals: “De wind laat de molens draaien. Het regent omdat de planten water nodig hebben.”

In dit verband een opmerking. Jonge kinderen zijn niet in de eerste plaats uit op kennis van zaken. Zij willen gewoon op hun manier greep krijgen op datgene wat zij nog niet kunnen plaatsen en wat hen daarom onzeker maakt. Het is niet toevallig dat zij elke avond graag hetzelfde verhaaltje willen horen. Zeker als dat goed afloopt. De herkenning van het vertrouwde verhaal geeft hen de bevestiging dat de basis van het bestaan hetzelfde blijft. Op zo’n moment voelt elk kind zich veilig en geborgen.

 

Ouders die zich bewust zijn van het diepe verlangen naar bevestiging en veiligheid, zullen achter ‘lastige kindervragen’ heel andere vragen kunnen beluisteren. Enkele voorbeelden:

  • Zijn er ook slangen met benen? = Kan een slang mij achterna rennen?
  • Hoe voelt het als je dood bent? = Heb ik het koud als ik dood ben?
  • Waarom heeft die meneer maar één been? = Moet mijn been er ooit af?

Vragen naar zin en betekenis

Jonge kinderen stellen hun vragen niet altijd op de meest geschikte momenten. Alles moet zo mogelijk meteen een plekje krijgen in hun denksysteem. Zij kennen bovendien nog geen taboes. “Mama, waarom heeft die mevrouw zo’n rood gezicht?” “Meneer, gaat u gauw dood?” Jonge kinderen stellen alles vrijmoedig en op luide toon aan de orde. Dat hun vragen soms heel pijnlijk kunnen zijn, beseffen ze niet. Zij trekken spontaan hun eigen conclusies. Naar hun idee kunnen oude mensen op elk moment dood gaan. Dus iemand met een gerimpeld gezicht zal binnenkort wel aan de beurt zijn. En dan komen opeens nieuwe vragen op, zoals: “Hoe diep is een graf eigenlijk? Heb je als je dood bent nog wel kleren aan? Waarom mag ik dat niet vragen?”

Soms volgt er een vermoeiende vragenketting: “Waarom heeft die man een baard?” “ Omdat hij zich niet geschoren heeft.” “Waarom heeft hij zich dan niet geschoren?” “Daar had hij geen zin in.” “O ja, waarom had hij daar dan geen zin in?” “Omdat hij een baard mooi vindt.” “Maar waarom dan.....?” Jonge kinderen vragen eigenlijk niet zozeer om een pasklaar antwoord, ze willen gewoon samen hardop denken. Als een ouder bijvoorbeeld vraagt: “Waarom denk jij dat die meneer zich niet geschoren heeft?” kan het gesprek beginnen. Dan komt boven water wat een kind echt wil weten: “Is een man met een baard eng?” Die vraag is begrijpelijk. Want in het plaatje bij het verhaal van Ali Baba hebben alle rovers nu eenmaal een baard.

Jonge kinderen vragen niet met hun hoofd, maar veelmeer vanuit hun eigen gevoel en intuïtie. Zij blijven permanent naar de zin en betekenis vragen van alles wat ze zien. Dan is het telkens een gemiste kans, wanneer zij antwoorden krijgen op vragen die zij niet hebben gesteld.

Levensvragen

Voor gesprekken met kinderen geldt altijd het uitgangspunt dat ouders zich dienen te verplaatsen in kinderen zoals zij zijn. Het ene kind is nu eenmaal het andere niet. Elk kind heeft een eigen levensverhaal en groeit op in een eigen wereld. En de manier waarop kinderen ervaringen opdoen en zich ontwikkelen, verschilt niet alleen per kind maar verandert ook nog eens met de tijd. De complexe wereld waarin kinderen anno nu opgroeien, roept meer vragen op dan de wereld waarin hun ouders groot zijn geworden.

Ouders staan er niet altijd bij stil dat er tussen de eindeloze zee van vragen die kinderen stellen, belangrijke levensvragen verborgen kunnen zitten. Om het gesprek daarover aan te gaan, moet je die levensvragen wel eerst als zodanig herkennen.

In het geheel van levensvragen die voor kinderen van direct belang zijn, laten zich volgens de godsdienstpedagoog Schweitzer de volgende kwesties onderscheiden.

  1. Wie ben ik? Wie mag ik zijn? (De vraag naar eigen identiteit)
  2. Bij wie ben ik veilig en geborgen? (Dit is ten diepste ook de vraag naar God)
  3. Wat is goed en wat is juist en wat moet ik doen? (De vraag naar goed en kwaad)
  4. Waarom gaan mensen dood? (De vraag naar de zin van dood en leven)
  5. Waarom zijn er mensen met verschillend geloof en wat is echt waar? (De vraag naar de betrouwbaarheid van uiteenlopende waarheden)

Wanneer dergelijke vragen op de een op andere manier aan de orde komen, dienen we te beseffen dat zij niet alleen voortkomen uit nieuwsgierigheid, maar net zo goed uit de ervaring van onzekerheid. In het gesprek over levensvragen willen kinderen gerustgesteld worden: “Ik mag zijn wie ik ben, bij papa en mama ben ik veilig, zij vertellen wat goed is; wat mag en niet mag en waarom.”

Lastige vragen

Sommige levensvragen behoren tot de lastige categorievan ‘onoplosbare vragen’. Dat neemt niet weg dat dergelijke vragen zich - net zoals andere vragen - lenen voor een onderzoekende verkenning, waarbij kinderen allereerst de speelruimte krijgen om hun vermoedens en ideeën onder woorden te brengen. Als kinderen zo’n onoplosbare vraag stellen, komt die niet zomaar uit de lucht vallen: er is in de regel al langer over nagedacht. Kinderen willen om te beginnen weten of hun gedachten en ideeën kloppen. Geef hen dan ook alle ruimte, houd je eigen antwoorden voor jezelf en probeer eerst de gedachtengang van het kind te volgen en te begrijpen. Met andere woorden: ga het gesprek aan en trek niet op voorhand je conclusies. Dan zal blijken dat kinderen op een geheel eigen wijze kleine filosofen zijn die met verrassende zienswijzen komen. Dan wordt duidelijk wat er in kinderen omgaat. Door samen na te denken, naar elkaar te luisteren, op een wederzijdse manier vragen te stellen en al dialogiserend nieuwe gedachten onder woorden te brengen, ben je bij wijze van spreken met kinderen aan het filosoferen.

 

Wanneer het gesprek op thema’s van religieuze of godsdienstige aard komt, spreken we van theologiseren met kinderen. Daarvoor hoef je niet volwassen te zijn en theologie gestudeerd te hebben. Zie het Evangelie van Marcus 10: 13 – 17, waar Jezus de kinderen zegent. Zijn uitspraak: “Laat de kinderen bij me komen, houd ze niet tegen, want het koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals zij,” geeft te denken.

Volwassenen mogen volgens Jezus een voorbeeld nemen aan kinderen. In dit verband nog een aandachtspunt. Godsdienstpedagogen wijzen er op dat uitspraken van kinderen misschien wel heel ‘anders’, maar nooit ‘minder’ zijn dan die van hun ouders en andere opvoeders zoals de juf of de meester.

 

Vragen naar de natuurlijke werkelijkheid

Later in de basisschoolleeftijd verandert het soort vragen en willen kinderen Midden- en bovenbouw.JPGsteeds meer ‘het naadje van de kous weten’. Die verschuiving komt ondermeer voort uit de manier waarop zij op de basisschool leren kijken naar allerlei verschijnselen in de zichtbare werkelijkheid. Daar leren ze bijvoorbeeld hoe rupsen vlinders worden en dat de warmte op aarde van de zon komt. Allerlei wonderlijke verschijnselen worden opeens verklaarbaar. In de wereld van de school maken kinderen kennis met wetmatigheden uit de natuur. Zij leren dat bepaalde oorzaken bepaalde gevolgen hebben. Die logische kennis wordt vervolgens vanzelfsprekend toegepast op de wereld die zich aan hen voordoet. Vandaar dat zij nieuwsgierig zijn naar de feiten en de samenhang. Ouders merken de nieuw opkomende interesse wanneer zij op de proef gesteld met vragen als: “Is een kangaroe sneller dan een giraffe?” Het antwoord: ”Dat weet ik niet”, zou verboden moeten worden. Dan verliest het kind z’n nieuwsgierigheid. De reactie: “Eens kijken of we daar achter kunnen komen,” - en dan samen de kinderencyclopedie erbij pakken of op internet zoeken, verdient de voorkeur. Dan komen passende antwoorden op vragen op tafel. Zoals: “Een giraffe heeft lange poten en een lange nek, dus kan hij bij de hoogste blaadjes in de boom.” Of: “Een kangaroe heeft sterke achterpoten, dus kan hij grote sprongen maken.” Zo leren kinderen niet alleen dat je naar antwoorden moet zoeken, maar ook waar je antwoorden kunt vinden. Bovendien is het leuk samen te onderzoeken wat er nog meer te ontdekken valt over kangaroes en giraffen.

Vragen op geloofsgebied

Ook op geloofsgebied willen kinderen in de midden- en bovenbouw van het basisonderwijs geleidelijk aan steeds meer weten ‘hoe het eigenlijk zit’. Wanneer de schepping aan de orde komt, mag je de vraag verwachten ‘of de mensen al dan niet van de apen afstammen’. En wanneer de rabbi van Nazaret ter sprake komt, ligt de vraag voor de hand ‘of Jezus echt wonderen heeft gedaan, en hoe dat dan kan’. Dergelijke vragen komen direct voort uit de natuurwetenschappelijke en wetmatige manier van kijken, zoals kinderen die in de basisschool meekrijgen. Dat levert problemen op. Met de vraag “Woont God boven de wolken?” en ontwijkende antwoorden als “God woont in je hart,” komen zij uiteindelijk in de knoop. In wezen komt de problematiek voort uit een spraakverwarring tussen verschillende ervaringen in het menselijke bestaan. Om daarvan een bekende illustratie te geven: een astronaut die terugkeerde van een reis in de ruimtere meldde na zijn terugkeer op aarde: “We zijn driemaal om de aarde gevlogen, maar ik heb God niet gezien.” Een andere ruimtevaarder meldde daarentegen ‘iets van God’s eeuwigheid hebben gezien’. Hoe hun uiteenlopend hun bevindingen ook mogen zijn, beide uitspraken doen opmerkelijk genoeg denken aan het Bijbelse besef dat de Schepper van de hemel en de aarde het werk van zijn hand, oftewel: de natuurlijke werkelijkheid van ons bestaan, ten ene male overstijgt.

Vragen naar de werkelijkheid van het bestaan

Als het gaat om vragen die de essentie en de zin van het menselijke bestaan raken, kunnen mensen niet uit de voeten met de natuurwetenschappelijke taal van oorzaak en gevolg. Daarin kunnen existentiële vragen en antwoorden nu eenmaal niet onder woorden worden gebracht. Daarvoor moeten we teruggrijpen op een andere taal, die uitstijgt boven de ervaring van de natuurlijke werkelijkheid. Het is de taal van geloofsgemeenschappen die gebruik maken van spirituele metaforen en symbolen.

Degenen die daar geen kennis van hebben omdat zij nu eenmaal buiten de betreffende geloofsgemeenschap staan, ervaren die ‘aparte taal’ als iets wat voor hen niet toegankelijk is en daarom als een ‘geheimtaal’ overkomt. Dat kan onbegrip en misverstanden oproepen. Daarom is tekst en uitleg bij religieuze en godsdienstige taal noodzakelijk.

De taal waar het hier om gaat, wordt in de regel aangeduid met de term ‘de tweede taal’. Het is de taal van geloof, hoop en liefde, waarin je met kinderen kunt communiceren als het gaat elementaire levensvragen in het menselijke bestaan. Zie de toelichting ‘Twee talen’ in het kader rechts.

Anders kijken en zien

Wanneer je als ouder op de hoogte bent van het verschil tussen de eerste en de tweede taal, ga je anders kijken naar de manier waarop je met je kind kunt communiceren over vragen die verder gaan dan het terrein van de natuurlijke werkelijkheid van oorzaak en gevolg.

Dan dringt het tot je door dat je bij allerlei levensvragen, kwesties, overtuigingen en gevoelens, op een dieper taalniveau met kinderen van gedachten kunt wisselen.

Maar zoiets is niet altijd even eenvoudig en vanzelfsprekend. Het begint ermee dat je thuis raakt in de wereld en de betekenissen van de tweede taal. Dan kun je over God spreken in de bijzondere taal van beelden, vergelijkingen en symbolen. God is volgens het Evangelie als een goede vader en als een goede herder die zich ontfermt over degenen die zich verloren wanen. God is volgens de Psalm 113 hoger dan de hemel en toch tussen mensen in hun diepste ellende. Tenslotte:God is de almachtige schepper die zich van dichtbij laat kennen in de ogen van je kinderen. En in de vragen die zij aan hun ouders stellen.

 

 drs. Gerda Valstar - Nieuwenhuisen.jpg 

  • Drs. Gerda Valstar-Nieuwenhuisen is onderwijspedagoog. Zij werkte als leerkracht in het pc-basisonderwijs en als lerarenopleider aan de Katholieke Pabo te Zwolle. Bij de landelijke organisatie OUDERS & COO fungeert zij als coördinator van de unit Onderzoek & Ontwikkeling. In die hoedanigheid is zij verantwoordelijk voor een innovatief project rond de thematiek van theologiseren met kinderen & ouderbetrokkenheid.

 

>>> Naar het archief

 

 

Twee talen

Oosterhuis.jpg

 

De dichter-theoloog Huub Oosterhuis spreekt over twee talen in de taal, twee manieren van communiceren, twee niveaus van taalgebruik.

 

Niveau 1: ‘De eerste taal is die van van de klare waarheden, begrippen en formules. De taal van de heldere logica, de objectieve informatie, de exacte wetenschap. De taal van het telefoonboek. Er staat wat er staat, je zegt wat je bedoelt, zo precies mogelijk en eenduidig. Het is goed dat deze taal er is. Onze wereld kan er niet zonder en iedereen verstaat en spreekt die taal wel een beetje. Maar die taal is niet toereikend als iemand z’n hart wil luchten en zeggen wil wat in hem is, verborgen, bijna onnoembaar. Als het gaat over liefde en dood en God en mens is die eerste taal, die manier van spreken, niet alleen ontoereikend maar ook gevaarlijk.’  

 

Niveau 2: ‘Er is een tweede taal, diep onder de eerste, als een veel oudere aardlaag, of wijd om de eerste heen; ‘tweede’ in aandacht en waardering, en ook weerlozer en bescheidener dan de eerste. De taal van wat eigenlijk niet te zeggen is. Die je spreekt om niet helemaal te hoeven zwijgen. De taal van de ontroering en de extase.’

Kortweg stelt Oosterhuis: Als het in het leven gaat om hoogtepunten of dieptepunten, proberen wij in de tweede taal te communiceren. Dan valt de taal van rationele redeneringen, definities en dogma’s uit onze handen. We grijpen dan naar beelden, brokstukken visioen, flarden van dromen en intuïties. Het is de taal van dichters en profeten.

 

  • Bron: Verwonderen & Ontdekken: De sleutel van de tweede taal. Blz. 32 – 36.
  • Literatuur: Vakdidactiek ‘Verwonderen & Ontdekken’. J.G. Valstar & H. Kuindersma. Amersfoort 2008.
  • Website V&O