Over de wonderen van Jezus
Johan Valstar
Intro
Van Jezus van Nazareth is bekend dat hij in gelijkenissen sprak en wonderen deed. Hij trad op in synagogen, genas zieken van allerlei kwalen en dreef demonen uit. Zo maakte hij het goede nieuws zichtbaar van God's koninkrijk. Daar worden de laatsten de eersten. En lammen gaan lopen en blinden gaan zien. De verhalen daarover kunnen we nalezen bij de vier Evangelisten. Marcus maakte er als eerste melding van dat er heel uiteenlopend werd gereageerd op de omgekeerde wereld die Jezus verkondigde. Volgens Marcus zagen sommige mensen hem als een van de profeten. Anderen beschouwden Jezus als een gevaarlijke nieuwlichter en godslasteraar. Dat leidde voortdurend tot discussies en conflicten. En zelfs tot overleg tussen Farizeeën en Herodianen om de rabbi van Nazareth uit de weg te ruimen. Net zoals zijn voorganger Johannes de Doper. Het optreden van Jezus riep zelfs bij zijn eigen familie consternatie op. Dat blijkt uit een kanttekening van Marcus: "Toen zijn familieleden van zijn optreden hoorden, gingen ze op weg om hem, desnoods onder dwang, mee te nemen, want volgens hen had hij zijn verstand verloren" (Marcus 3:21). Maar Jezus liet zijn familie buiten wachten. Hij had met de komst van God's koninkrijk belangrijker zaken aan zijn hoofd. Kort samengevat: ‘De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij: kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws' (Marcus 1:15).
‘Waar haalt hij dat allemaal vandaan?'
Marcus vertelt dat de woorden en daden van Jezus eveneens in zijn vaderstad Nazareth verwondering opriepen. Zo lezen we: ‘Toen de sabbat was aangebroken, gaf hij onderricht in de synagoge, en vele toehoorders waren stomverbaasd en zeiden: ‘Waar haalt hij dat allemaal vandaan? Wat is dat voor wijsheid die hem gegeven is? En dan die wonderen die zijn handen tot stand brengen! Hij is toch die timmerman, de zoon van Maria en de broer van Jakobus en Joses en Judas en Simon? En wonen zijn zusters niet hier bij ons?' En ze namen aanstoot aan hem" (Marcus 6:1-3). We zien dat degenen die Jezus van vroeger kenden, de realiteit van zijn wonderen niet ontkenden. Dat was trouwens evenmin het geval met kritische schriftgeleerden uit Jeruzalem en de farizeeërs die hij ontmoette. Wel waren zij van mening dat Jezus bezeten moest zijn door Beëlzebul, de vorst der demonen (Marcus 3:22).
Ergernis en weerstanden
Dat mensen toch in menigten op Jezus bleven afkomen en diep onder de indruk raakten had een reden. Hij sprak met groot gezag, - heel anders dan de schriftgeleerden met hun gestolde wijsheden en rigide leefregels. Bovendien verrichtte hij vanaf zijn komst in Kapernaüm ongewone tekenen. Daar genas hij een bezetene, vervolgens de door koorts gevelde schoonmoeder van Simon (Petrus) en verder tal van anderen uit de wijde omgeving. Wanneer we de Evangeliën er op nalezen, valt op dat de uitdrijvingen van demonen en de genezingen veelvuldig voorkomen. Zelfs in die mate, dat we mogen aannemen dat het helende handelen van Jezus als zodanig onlosmakelijk verbonden was met zijn persoon en zijn roeping. Wat hij deed spoorde met wat hij in zijn woorden en gelijkenissen duidelijk maakte: God ziet in zijn onvoorwaardelijke liefde om naar mensen in nood. Vanuit dat perspectief laten de tekenen van Jezus zich verstaan als voorafspiegelingen van het koninkrijk van God. Dat daarin plaats zou zijn voor onreinen en zondaren zoals hoeren, tollenaars, melaatsen, verlamden, blinden en andere outcasts moet voor zijn tijdgenoten een schokkende en ongehoorde gewaarwording zijn geweest. Die gedachte alleen al was binnen de godsdienstige opvattingen van toen een onmogelijke mogelijkheid. Dat Jezus bij theologen van zijn tijd ergernis en grote weerstand opriep is dan ook niet verwonderlijk. Er zijn geen reden om de afwijzende reacties en de telkens terugkerende polemieken buiten beschouwing te laten of weg te moffelen. Zij horen integraal bij de realiteit van het optreden van Jezus van Nazareth. Net zo goed als zijn gelijkenissen en de verhalen over de tekenen die hij deed. Overigens zijn het juist de expliciete vermeldingen van de doorlopende conflicten die het charismatische optreden van Jezus ook nu nog in historische zin plausibel en aannemelijk maken.
Bijna een vloek
Hoogst opmerkelijk is een tekstfragment dat we in het achtste hoofdstuk van het Marcusevangelie tegenkomen (Marcus 8: 10-13). Jezus stapte met zijn leerlingen in een boot en voer naar het gebied van Dalmanuta in de buurt van Genesaret. Daar kwamen farizeeën op hem af en ze begonnen, volgens de Nieuwe Bijbel Vertaling, met hem te discussiëren. Het gaat hier echter niet om een discussie. Marcus spreekt van een verzoeking. Deze specifieke omschrijving komt eveneens voor in het verhaal van de verzoeking van Jezus door de Satan in de woestijn (zie Marcus 1: 13). En dat werpt een heel ander licht op het gebeuren. De farizeeën verlangden van Jezus een teken uit de hemel, oftewel: een keihard bewijs in de vorm van een regelrecht ingrijpen van God. Van cruciale betekenis is de nadrukkelijke manier waarop Jezus zijn resolute afwijzing formuleert. In de dichter bij de oorspronkelijke grondtekst gebleven Statenvertaling, ontdekken we dat Jezus zegt: ‘Voorwaar Ik zeg u: Zo aan dit geslacht een teken gegeven zal worden....' Het tweede deel van deze zin ontbreekt. Een dergelijke stijlfiguur past bij de formulering van een eed of een vloek. Dat geeft te denken. Bijbelcommentaren geven aan dat de goede verstaander het verzwegen vervolg zelf mag invullen. We mogen hier lezen: "God mag mij straffen, als ik dat doe!" Of, nog veel sterker gezegd: ‘Ik mag ter plekke sterven, als ik mij daartoe laat verleiden!' Kortom, Jezus wijst de verzoeking van de farizeeën niet af met een mededeling, maar met een ingehouden vloek. Volgens het Marcusevangelie weigert Jezus werkelijk op de meest krachtige manier om zich met een teken uit de hemel te legitimeren. Hij doet geen miraculeuze wonderen voor de show en is absoluut niet uit op enige vorm van publiciteit. In zijn doen en laten verkondigt hij niets meer en niets minder dan de realiteit van de komst van het koninkrijk van God.
Tenslotte
Vanuit het licht van de opstanding bekeken, kunnen wonderverhalen tot de ontdekking leiden dat het koninkrijk van God zowaar in het menselijke bestaan kan doorbreken. De blijvende existentiële meerwaarde van dit besef is gelegen in de ruimte om gevoelens van twijfel, onmacht, onvermogen en lijden te verwerken vanuit het blijvende perspectief van de hoop. De taalfilosoof Wittgenstein heeft ooit gesteld: ‘Alleen met de feiten zoals die zich in onze wereld voordoen zijn we er nog niet.' Na de bovenstaande oriëntatie op de wonderverhalen van Jezus, veroorloof ik me een godsdienstpedagogische toevoeging: ‘Wie de betekenis van wonderverhalen leert verstaan, behoudt het fantastische visioen op de mogelijkheid van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Oftewel: het koninkrijk van God.'
In deze aanklikbare bijlage wordt door de auteur van deze column een impressie gegeven van een theologische verdieping in de lerarenopleiding basisonderwijs over Jezusverhalen en Christusverhalen. Zie de bijgaande Pdf.
Literatuur
- Bolkestein, M.H. (1966). Het Evangelie naar Marcus. Nijkerk.
- Kraft, F. (2008). Bijbelse basismotieven: Nieuwe Testament. In: Verwonderen & Ontdekken. Amersfoort.
- Kraft , F. (2008). Verwundern und Entdecken - Ein narrativer Zugang zur didaktischen Entfaltung des Themas ‘Das Evangelium von Jesus Christus'. In: Jahrbuch Kindertheologie Band 7: "Sehen kann man ihn ja, aber anfassen...?" Zugänge zur Christologie von Kindern. Stuttgart.
- Kraft, F. & Roose, H. (2011). Von Jesus Christus reden im Religionsunterricht. Christologie als Abentür entdekken. Göttingen.
- Ter Linden, N.M.A. (2011). Moet je horen. De kinderbijbel van Nico ter Linden. Amsterdam.
- Meiden, W. van der. (2009). ‘Zoo heerlijk eenvoudig' Geschiedenis van de kinderbijbel in Nederland. Hilversum.
- Müller, P. (2009). Schlüssel zur Bibel: Eine Einführung in die Bibeldidaktik. Stuttgart.
- Valstar, J.G. (2010). Column V&O: De Jezus van Raerd.
Johan Valstar werkte als senior lerarenopleider godsdienst & levensbeschouwing aan de Pabo Windesheim. Hij verricht thans promotieonderzoek met betrekking tot de innovatie van het godsdienstonderwijs aan de lerarenopleidingen basisonderwijs.
Naar het archief >>>
|