homecontactkennisbankinloggensitemapzoeken  
vorige pagina pagina afdrukken
nzv uitgevers

JOHAN VALSTAR / SEPTEMBER OKTOBER 2011

...

Over de wonderen van Jezus

Johan Valstar

Intro

Van Jezus van Nazareth is bekend dat hij in gelijkenissen sprak en wonderen deed. Hij trad op in synagogen, genas zieken van allerlei kwalen en dreef De vier Evangelien (schema).jpgdemonen uit. Zo maakte hij het goede nieuws zichtbaar van God's koninkrijk. Daar worden de laatsten de eersten. En lammen gaan lopen en blinden gaan zien. De verhalen daarover kunnen we nalezen bij de vier Evangelisten. Marcus maakte er als eerste melding van dat er heel uiteenlopend werd gereageerd op de omgekeerde wereld die Jezus verkondigde. Volgens Marcus zagen sommige mensen hem als een van de profeten. Anderen beschouwden Jezus als een gevaarlijke nieuwlichter en godslasteraar. Dat leidde voortdurend tot discussies en conflicten. En zelfs tot overleg tussen Farizeeën en Herodianen om de rabbi van Nazareth uit de weg te ruimen. Net zoals zijn voorganger Johannes de Doper. Het optreden van Jezus riep zelfs bij zijn eigen familie consternatie op. Dat blijkt uit een kanttekening van Marcus: "Toen zijn familieleden van zijn optreden hoorden, gingen ze op weg om hem, desnoods onder dwang, mee te nemen, want volgens hen had hij zijn verstand verloren" (Marcus 3:21). Maar Jezus liet zijn familie buiten wachten. Hij had met de komst van God's koninkrijk belangrijker zaken aan zijn hoofd. Kort samengevat: ‘De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij: kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws' (Marcus 1:15).

‘Waar haalt hij dat allemaal vandaan?'

Marcus vertelt dat de woorden en daden van Jezus eveneens in zijn vaderstad Nazareth verwondering opriepen. Zo lezen we: ‘Toen de sabbat was aangebroken, gaf hij onderricht in de synagoge, en vele toehoorders waren stomverbaasd en zeiden: ‘Waar haalt hij dat allemaal vandaan? Wat is dat voor wijsheid die hem gegeven is? En dan die wonderen die zijn handen tot stand brengen! Hij is toch die timmerman, de zoon van Maria en de broer van Jakobus en Joses en Judas en Simon? En wonen zijn zusters niet hier bij ons?' En ze namen aanstoot aan hem" (Marcus 6:1-3). We zien dat degenen die Jezus van vroeger kenden, de realiteit van zijn wonderen niet ontkenden. Dat was trouwens evenmin het geval met kritische schriftgeleerden uit Jeruzalem en de farizeeërs die hij ontmoette. Wel waren zij van mening dat Jezus bezeten moest zijn door Beëlzebul, de vorst der demonen (Marcus 3:22).

Ergernis en weerstanden

Dat mensen toch in menigten op Jezus bleven afkomen en diep onder de indruk raakten had een reden. Hij sprak met groot gezag, - heel anders dan de schriftgeleerden met hun gestolde wijsheden en rigide leefregels. Bovendien verrichtte hij vanaf zijn komst in Kapernaüm ongewone tekenen. Daar genas hij een bezetene, vervolgens de door koorts gevelde schoonmoeder van Simon (Petrus) en verder tal van anderen uit de wijde omgeving. Wanneer we de Evangeliën er op nalezen, valt op dat de uitdrijvingen van demonen en de genezingen veelvuldig voorkomen. Zelfs in die mate, dat we mogen aannemen dat het helende handelen van Jezus als zodanig onlosmakelijk verbonden was met zijn persoon en zijn roeping. Wat hij deed spoorde met wat hij in zijn woorden en gelijkenissen duidelijk maakte: God ziet in zijn onvoorwaardelijke liefde om naar mensen in nood. Vanuit dat perspectief laten de tekenen van Jezus zich verstaan als voorafspiegelingen van het koninkrijk van God. Dat daarin plaats zou zijn voor onreinen en zondaren zoals hoeren, tollenaars, melaatsen, verlamden, blinden en andere outcasts moet voor zijn tijdgenoten een schokkende en ongehoorde gewaarwording zijn geweest. Die gedachte alleen al was binnen de godsdienstige opvattingen van toen een onmogelijke mogelijkheid. Dat Jezus bij theologen van zijn tijd ergernis en grote weerstand opriep is dan ook niet verwonderlijk. Er zijn geen reden om de afwijzende reacties en de telkens terugkerende polemieken buiten beschouwing te laten of weg te moffelen. Zij horen integraal bij de realiteit van het optreden van Jezus van Nazareth. Net zo goed als zijn gelijkenissen en de verhalen over de tekenen die hij deed. Overigens zijn het juist de expliciete vermeldingen van de doorlopende conflicten die het charismatische optreden van Jezus ook nu nog in historische zin plausibel en aannemelijk maken.

Bijna een vloek

Hoogst opmerkelijk is een tekstfragment dat we in het achtste hoofdstuk van het Marcusevangelie tegenkomen (Marcus 8: 10-13). Jezus stapte met zijn leerlingen in een boot en voer naar het gebied van Dalmanuta in de buurt van Oudste Nl. voorstelling van Jezus (Raerd Friesland ...Genesaret. Daar kwamen farizeeën op hem af en ze begonnen, volgens de Nieuwe Bijbel Vertaling, met hem te discussiëren. Het gaat hier echter niet om een discussie. Marcus spreekt van een verzoeking. Deze specifieke omschrijving komt eveneens voor in het verhaal van de verzoeking van Jezus door de Satan in de woestijn (zie Marcus 1: 13). En dat werpt een heel ander licht op het gebeuren.
De farizeeën verlangden van Jezus een teken uit de hemel, oftewel: een keihard bewijs in de vorm van een regelrecht ingrijpen van God. Van cruciale betekenis is de nadrukkelijke manier waarop Jezus zijn resolute afwijzing formuleert. In de dichter bij de oorspronkelijke grondtekst gebleven Statenvertaling, ontdekken we dat Jezus zegt: ‘Voorwaar Ik zeg u: Zo aan dit geslacht een teken gegeven zal worden....' Het tweede deel van deze zin ontbreekt. Een dergelijke stijlfiguur past bij de formulering van een eed of een vloek. Dat geeft te denken. Bijbelcommentaren geven aan dat de goede verstaander het verzwegen vervolg zelf mag invullen. We mogen hier lezen: "God mag mij straffen, als ik dat doe!" Of, nog veel sterker gezegd: ‘Ik mag ter plekke sterven, als ik mij daartoe laat verleiden!' Kortom, Jezus wijst de verzoeking van de farizeeën niet af met een mededeling, maar met een ingehouden vloek.
Volgens het Marcusevangelie weigert Jezus werkelijk op de meest krachtige manier om zich met een teken uit de hemel te legitimeren. Hij doet geen miraculeuze wonderen voor de show en is absoluut niet uit op enige vorm van publiciteit. In zijn doen en laten verkondigt hij niets meer en niets minder dan de realiteit van de komst van het koninkrijk van God.

Tenslotte

Vanuit het licht van de opstanding bekeken, kunnen wonderverhalen tot de ontdekking leiden dat het koninkrijk van God zowaar in het menselijke bestaan kan doorbreken. De blijvende existentiële meerwaarde van dit besef is gelegen in de ruimte om gevoelens van twijfel, onmacht, onvermogen en lijden te verwerken vanuit het blijvende perspectief van de hoop.
De taalfilosoof Wittgenstein heeft ooit gesteld: ‘Alleen met de feiten zoals die zich in onze wereld voordoen zijn we er nog niet.' Na de bovenstaande oriëntatie op de wonderverhalen van Jezus, veroorloof ik me een godsdienstpedagogische toevoeging: ‘Wie de betekenis van wonderverhalen leert verstaan, behoudt het fantastische visioen op de mogelijkheid van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Oftewel: het koninkrijk van God.'

  • Theologische verdieping

In deze aanklikbare bijlage wordt door de auteur van deze column een impressie gegeven van een theologische verdieping in de lerarenopleiding basisonderwijs over Jezusverhalen en Christusverhalen. Zie de bijgaande Pdf.

Literatuur

  • Bolkestein, M.H. (1966). Het Evangelie naar Marcus. Nijkerk.
  • Kraft, F. (2008). Bijbelse basismotieven: Nieuwe Testament. In: Verwonderen & Ontdekken. Amersfoort.
  • Kraft , F. (2008). Verwundern und Entdecken - Ein narrativer Zugang zur didaktischen Entfaltung des Themas ‘Das Evangelium von Jesus Christus'. In: Jahrbuch Kindertheologie Band 7: "Sehen kann man ihn ja, aber anfassen...?" Zugänge zur Christologie von Kindern. Stuttgart.
  • Kraft, F. & Roose, H. (2011). Von Jesus Christus reden im Religionsunterricht. Christologie als Abentür entdekken. Göttingen.
  • Ter Linden, N.M.A. (2011). Moet je horen. De kinderbijbel van Nico ter Linden. Amsterdam.
  • Meiden, W. van der. (2009). ‘Zoo heerlijk eenvoudig' Geschiedenis van de kinderbijbel in Nederland. Hilversum. 
  • Müller, P. (2009). Schlüssel zur Bibel: Eine Einführung in die Bibeldidaktik. Stuttgart.
  • Valstar, J.G. (2010). Column V&O: De Jezus van Raerd.

 

  • Drs JG Valstar.jpgJohan Valstar werkte als senior lerarenopleider godsdienst & levensbeschouwing aan de Pabo Windesheim. Hij verricht thans promotieonderzoek met betrekking tot de innovatie van het godsdienstonderwijs aan de lerarenopleidingen basisonderwijs.

 

 

Naar het archief >>>

 

 

 

Lastige verhalen

Kinderbijbel Cramer Schaap.jpg

 


In het godsdienstonderwijs zijn de zogenoemde ‘wonderverhalen' nu eens een uitdaging, dan weer een probleem. Om van het laatste een voorbeeld te geven, citeren we een leerkracht uit groep 8 van de basisschool. ‘Ik zie die verhalen eerlijk gezegd niet meer zo zitten. Ook al weet ik dat de leerlingen ze mateloos interessant kunnen vinden. Maar soms krijg je van die vervelende welles - nietes discussies. Sommige leerlingen hebben het idee dat geloof en verstand elkaar uitsluiten. En leerlingen die de feitelijkheid van wonderen in twijfel trekken, krijgen dan naar hun hoofd dat zij niet in God geloven. Ik weet wel dat die logica niet klopt, maar probeer ze dat maar eens duidelijk te maken. Daar komt nog wat bij. Goed bekeken trainen we onze leerlingen om te denken in termen van oorzaak en gevolg. En bij levensbeschouwing en godsdienst ligt het gewoon een stuk lastiger. Ik ben nu eenmaal niet opgeleid als theoloog. Ik zou trouwens wel helemaal afwillen van de term ‘wonderen'. Die leidt alleen maar tot grote misverstanden. Dat heb ik vroeger al op de Pabo geleerd.'

 

Monoperspectief

De Kinderbijbel van Nico Ter Linden.jpg

 

Het is de moeite waard om kinderbijbels te vergelijken op hun uitwerkingen van de wonderen van Jezus. Dan komen we heel verschillende benaderingen tegen. Soms wordt gesuggereerd ‘dat Jezus alles kan.' Maar er zijn net zo goed kinderbijbels die de wonderen van Jezus presenteren als ‘gelovige verbeelding'. Zoals de kinderbijbel ‘Moet je horen' van Nico ter Linden bijvoorbeeld. Naar zijn mening gaat het in de Bijbel telkens om ‘verhaaltaal' en om ‘beelden' waarmee de vertellers van toen een waarheid vertellen. Dat wil zeggen: ‘hun waarheid'. Ter Linden gaat uit van een niet historiserende manier van kijken. Zo stelt hij onder andere dat het verhaal van ‘Jezus over het water liep', niet echt is gebeurd. Aan het slot van dit verhaal laat hij de vertelfiguren Matteüs en Lucas aan het woord. Matteüs zegt: ‘Maar zullen ze dan niet denken dat Jezus echt over het water liep? Lucas reageert met: ‘ Welnee. En als ze dat denken, is het nog niet erg. Het gaat er maar om dat ze, net als wij, geloven dat God sterker is dan de dood.' Over deze benadering is veel meer te zeggen. We beperken ons hier tot twee kanttekeningen. 1) Bijbelverhalen komen niet zomaar uit de lucht vallen. Zij bevatten specifieke reacties op bijzondere fenomenen en bestaanservaringen uit een bepaalde tijd. Bij Ter Linden verliest de Jezusfiguur evenwel volledig zijn relatie met de achterliggende historische context. 2) Met de rationaliserende vertellingen van Ter Linden mag dan misschien worden voorkomen dat kinderen afhaken omdat zij eventueel iets zouden moeten geloven ‘wat niet kan'. Maar anderzijds verliezen de verhalen op die manier hun oorspronkelijke zeggingskracht. Zij krijgen vervolgens het karakter van een gesloten systeem. Vanuit dat monoperspectief blijft er voor kinderen dan weinig ruimte meer over om zich te verwonderen. Laat staan om zich vragen te stellen en om zelf iets geheel nieuws te ontdekken.

Ander wereldbeeld

Keizer Vespasianus  (Anno 9 - 79).jpg

 

We staan er niet altijd bij stil, maar we dienen ons te realiseren dat de auteurs van de Evangeliën in een volstrekt andere tijd leefden. Zij hielden er heel andere wereldbeelden op na dan wij, moderne mensen uit de 21e eeuw. Door Jezus' tijdgenoten werd de wereld waargenomen vanuit de gangbare laat-antieke referentiekaders en het oeroude gedachtegoed van de Joodse godsdienstige traditie. De vraag die wij vandaag de dag stellen of de wonderen wel te verenigen zijn met natuurwetenschappelijke uitgangspunten is voor evangelisten (en trouwens voor alle andere auteurs in de oudheid) in ieder geval niet aan de orde. Wonderen werden weliswaar als bijzonder ervaren, maar waren anderzijds zeker niet ongewoon. Zo zijn er wonderverhalen van allerlei magiërs bekend. En ook van Romeinse keizers zoals Nero en Vespasianus. Die verhalen moesten bijdragen aan hun meerdere eer en glorie. In de wonderverhalen die op Jezus betrekking hebben, is daar geen sprake van. Bij hem ontbreken de gebruikelijke magische rituelen en tovermiddelen. Hij ziet eenvoudig om naar mensen in hun ellende en raakt hen veelal aan. Meer niet. Bij Marcus komt verder herhaaldelijk naar voren dat Jezus degenen die zijn genezen, nadrukkelijk verbiedt om daar enige ruchtbaarheid aan te geven...

Pabostudenten

Drie Studenten van de Pabo Windesheim.jpg

 

Aankomende leraren zijn geen theologen. Dat neemt niet weg dat elementaire kennis van theologische zienswijzen hen het nodige gedifferentieerde inzicht kan bieden ten aanzien van theologische inhouden en mogelijke levensbetekenissen. Maar dat vraagt van hun kant wel om een kritische bezinning op de eigen vertrouwde preconcepten. De reactie: ‘Ja, maar als ik niet in wonderen geloof, geloof ik ook niet in God!' is wel begrijpelijk, maar berust anderzijds op een te beperkte vooronderstelling van wat we in Bijbelse zin onder geloven mogen verstaan.
Veelzeggend is dat Jezus de vraag van de farizeeën naar een mirakel als een satanische verzoeking afwijst. ‘Geloven in mirakelen' is nu eenmaal iets anders is dan geloven in God. En geloven is nooit een kwestie van moeten! Deze noties zijn uiteraard ook van directe betekenis voor het godsdienstpedagogische handelen in de basisschool.