homecontactkennisbankinloggensitemapzoeken  
vorige pagina pagina afdrukken
nzv uitgevers

WILLEM VAN DER MEIDEN / NOVEMBER DECEMBER 2011

...

Weinig ‘zamenspraaken' in kinderbijbels

Vreemd

Het is vreemd dat schrijvers van kinderbijbels in hun boeken zo weinig in gesprek gaan met kinderen. Want hoe kun je nou beter uitleggen waarom sommige Bijbelverhalen weerbarstiger zijn dan andere, en waarom ze soms wreed, liefdeloos, onbegrijpelijk zijn? Juist dan dient zich de mogelijkheid aan om vragen van kinderen op een of andere manier in de tekst mee te nemen. Het voeren van gesprekken is een hermeneutische methode die toch een opmerkelijke meerwaarde biedt boven het ‘simpel' navertellen van Bijbelverhalen in een voor kinderen aangepaste taal en met voor kinderen gemaakte illustraties. Zou de huiver om in gesprek te gaan veroorzaakt worden door het gezag dat aan die Bijbelverhalen wordt toegekend? Zou de schroom te maken hebben met de angst voor al te grote vrijmoedigheid die veel auteurs van kinderbijbels parten speelt? Of passen dialoog en verkondiging niet echt bij elkaar?

Ontwikkelingen

Dat je met kinderen kunt praten over Bijbelverhalen en over wat ze te betekenen hebben, is een opvatting die in de geschiedenis van de kinderbijbel in Nederland nauwelijks voorkomt. Ik schreef een proefschrift over die geschiedenis [1] en trof onder de bijna 900 kinderbijbels die in Nederland zijn geproduceerd - mijn definitie is ruim - zeer weinig dialogische kinderbijbels aan, boeken dus waarin kinderen met behulp van een gesprek dichter bij de Bijbelverhalen worden gebracht. Tot aan 1770 is de dominante vorm van de overdracht van Bijbelverhalen aan kinderen die van vragen en antwoorden, vaak verlucht met illustraties, versjes en zelfs rebusjes. Calvinistische makers van dergelijke boeken willen dat kinderen de Bijbelverhalen uit het hoofd leren. Godsdienstige opvoeding wil immers kinderen een brevet verschaffen voor de eeuwige zaligheid - en daarvoor is kennis van de Bijbelverhalen van levensbelang. Pas wanneer de Verlichting invloed begint uit te oefenen, komen er ook andere methodische experimenten in zwang en verandert de visie op het belang van de Bijbelverhalen voor kinderen. John Locke stelt bijvoorbeeld in zijn Verhandeling over de opvoeding der kinderen, in het Nederlands uitgegeven in 1698 [2], in tegenstelling tot de protestantse pedagogen dat kinderen een ‘onbeschreven blad' zijn, een tabula rasa, dat opvoeders vrijelijk kunnen beschrijven. Van erfzonde, natuurlijke Godskennis en aangeboren geneigdheid tot alle kwaad wil Locke niets weten. Omwille van het maagdelijke kinderverstand vindt hij dat geloven in de prille kinderjaren moet worden vervangen door denken en redeneren. Kinderen mogen wel uit de Bijbel lezen of voorgelezen worden, maar dan zonder dogmatische inkadering. De Bijbel is geen leesboek, stelt Locke: ‘Wat gedachten kan een kind hebben, dat in zijne teedere jaren onverschillig alle deelen van den Bijbel, zonder eenig onderscheid leest als Gods Woord?'

 

Onderwijs circa 1800.JPG

 

In Nederland krijgen dergelijke opvattingen driekwart eeuw later alle ruimte. In 1765 schrijft de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem een prijsvraag uit met de opdracht: ‘Hoe moet men het verstand en het hart der kinderen bestieren'. Ene H. Abr. Chatelain stelt in zijn inzending ‘dat het een groot misbruik is, de kinders zeer vroeg in de Godsdienst te willen onderwijzen'. Pas als de ‘behoefte aan openbaring' is ontstaan, mag men met de Bijbel beginnen. ‘Verberg, ten dien einde, den Bijbel zorgvuldig voor uwe kinderen en duld niet, dat anderen hem die doen kennen'. [3] Zo'n radicale pedagogische ingreep is weliswaar zeldzaam en de lezer van nu wil graag weten hoe je die ‘behoefte aan openbaring' bij kinderen zou kunnen vaststellen, maar de toon geeft wel aan dat veel mensen aan het eind van de achttiende eeuw inmiddels anders aankijken tegen de overdracht van Bijbelverhalen aan kinderen. Die toon valt ook op in de wat klassiekere kinderbijbels uit de periode 1770-1870, waarin de opvoeding van kinderen tot redelijke en nuttige, dus godsdienstig onderlegde burgers centraal staat. De parafrase of navertelling in eigen woorden komt in zwang als methode van overdracht en wordt beoefend in uitvoerige, maar monologische kinderbijbels als die van J.H. van der Palm (vanaf 1811), de joodse kinderbijbel van S.I. Mulder (vanaf 1843) of de kleuterbijbel van A.M. van Meerten-Schilperoort (1845). [4] Die parafrase kan apologetisch zijn, - de tekst van de Bijbel wordt uitvoerig becommentarieerd en verdedigd, of didactisch-hermeneutisch, - met omstandige uitleg en historische details, maar ook pedagogisch georiënteerd en ‘kindvriendelijk'. Toch komen kinderen zelf niet in deze kinderbijbels voor, laat staan dat hun vragen serieus genomen zouden worden.

 

Jozef  - Willem van Oosterwijk Hulshoff.JPG

 

Dat is wel het geval in enkele bijzondere uitgaven van twee eeuwen geleden, waarvan Johan Valstar in zijn column van mei 2010 een voorbeeld gaf. Het gaat om boeken en boekjes waarin auteurs het Bijbelverhaal navertellen en erover in gesprek gaan met kinderen. Valstar wees op een van de mooiste voorbeelden daarvan: De Geschiedenis van Jozef voor kinderen, van de jonggestorven doopsgezinde proponent Willem van Oosterwijk Hulshoff uit 1796. De verteller uit dit boek loopt met een stoet van kinderen de mogelijke duiding van Bijbelverhalen langs en gaat gretig in op de vragen van de kinderen, die zeker niet naar de bekende weg vragen. Het boekje, een inzending voor een prijsvraag van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, beleefde tientallen drukken en werd een eeuwlang gelezen en gebruikt, thuis en in het onderwijs. Het was niet het enige in zijn soort. In mijn - zeker niet volledige - lijst van kinderbijbels tel ik nog vijf van zulke uitgaven, alle verschenen tussen 1788 en 1817. De titels spreken van ‘zamenspraaken', leerzame gesprekken, evangelische gesprekken, ‘avondgesprekken onder het doen van zomerwandelingen' etc. Je kunt deze aanpak dus gerust een typerend en tijdgebonden uiting noemen van een verlichte visie op Bijbel en opvoeding. Steeds figureren in deze uitgaven een onderwijzer of predikant en enkele kinderen en zij nemen met elkaar door wat de Bijbelverhalen te betekenen hebben. De sfeer is niet die van calvinistische orthodoxie, al staat de Bijbel meestal wel op een hoog voetstuk. Soms is de opinie van de leermeester erg dominant, dan weer krijgen de kinderen meer ruimte, zoals in de uitgave van Freerk Hoekstra uit 1815, misschien niet toevallig evenals Willem van Oosterwijk Hulshoff doopsgezind.

Bonte diversiteit

Na deze kortstondige mode zullen in de geschiedenis van de kinderbijbel dergelijke uitgaven lange tijd ontbreken. De stuwing van het Schriftgezag, de dominante visie dat het kind naar de Bijbel moet worden gebracht en de Bijbel niet naar het kind, het primaat van het doorgeven van de gekoesterde leer boven dat van de verhalen, het pedagogische, hermeneutische en leerstellige eenrichtingsverkeer, zorgen weliswaar voor een bonte diversiteit van kinderbijbels, maar leiden zelden tot een benadering waarin meelezende en meeluisterende kinderen deel uitmaken van de tekst en dus van het proces van vertolking en interpretatie. Pas in de laatste halve eeuw - en dan nog mondjesmaat - verschijnen kinderbijbels die zo'n poging wel ondernemen. Maar eigenlijk gaan die minder ver dan hun verlichte voorgangers, want het gesprek over de betekenis van Bijbelverhalen wordt gevoerd met ‘Bijbelse kinderen'. De gehanteerde literaire techniek is die van de raamvertelling.

Kinderbijbel ‘Dromen van vrede'

In Dromen van vrede van theoloog Nico Bouhuijs en kinderboekenschrijfster Gertie Evenhuis (1971) worden de verhalen uit het Oude Testament verteld aan kinderen van ballingen in Babylon. Kinderen - jongens - beleven hun dagelijkse avonturen in de wereldstad en krijgen de verhalen te horen van volwassenen - vaders, onderwijzers, rabbijnen: steeds mannen. Ze geven commentaar en reageren op het gehoorde. We zouden deze jongeren nu erg dociel vinden. Ze laten zich alles gemakkelijk voorzeggen, al wordt er wel eens geprotesteerd, zoals bij het verhaal van het bijna-offer van Izak (Genesis 22).

 

De rabbi vertelt: ‘Neem jij je zoon, je enige, zei God, neem Isaäk, en ga naar 't land Moria, om hem daar te offeren als brandoffer...' Er klonken verschillende kreten van verontwaardiging en verbazing. Onverstoorbaar vertelde de rabbi verder: 's Ochtends heel vroeg stond Abraham op...' Maar Joram kon zich niet meer bedwingen. Verbitterd zei hij: ‘Dat kan niet! Nu hééft hij eindelijk een zoon...' ‘Ja, en zijn enige zoon nog wel! Als hij die offert, dan houdt alles toch wéér op!' riep Jochai gegriefd. En Oeri zei: ‘Wat heb je op die manier aan al die beloften!' ‘Ja, daar leek het dan ook erg op,' zei hun leraar. ‘Dat de geschiedenis die nèt begonnen was, weer op zou houden. Maar luister nog even.' En dan vertelt hij verder.

 

Dialogen als deze en de beschrijving van de lotgevallen van de kinderen in Babel maken van deze kinderbijbel een boeiend geschreven kinderboek. De motor van deze wijze van benadering is hier niet de Verlichting, maar de vrijmoedigheid van de Amsterdamse School in de theologie, met haar nadruk op het belang van het verhaal boven dat van de waarheid.

Kinderbijbel ‘Op weg'

Nog één kinderbijbel komt bij deze benadering in de buurt: ‘Op weg' van de doopsgezinde godsdienstpedagoge Baukje Offringa (1994). Ook zij benut de Babylonische bakermat van veel verhalen van het Oude Testament om er een raamvertelling omheen te maken. Bij de jongere oudtestamentische boeken (Daniël, Esther) gebruikt zij de opstand van de Makkabeeën als entourage voor de vertelling. In beide zettingen komen luisterende en vragende kinderen voor, maar ook die zijn van de brave soort. En zij vragen naar de bekende weg.


Illustratie Kinderbijbel Offringa.JPGIllustratief voor deze benadering van Baukje Offringa is de bijgaande voorstelling gemaakt door Lika Tov. Daar zien we hoe moeder Eva over Daniël vertelt aan kinderen, die tijdens de opstand van de Makkabeeën in een grot schuilen.


Voor het Nieuwe Testament kiest Baukje Offringa geen raamvertelling. Er is mij trouwens geen enkele kinderbijbel bekend die kiest voor een gesprek met kinderen over Jezus, in de omgeving van de eerste christengemeenten bijvoorbeeld.
In haar kinderbijbel ‘Op weg' attendeert Offringa overigens op de betekenis van kindervragen

 

‘Het is van belang dat we er steeds op letten hoe kinderen luisteren en dat we rustig de tijd nemen om in te gaan op hun vragen en opmerkingen. We kunnen niet altijd een antwoord geven, maar dat hoeft ook niet. We moeten tegenover kinderen daarin eerlijk zijn en het toegeven als we het niet weten of er nog over na moeten denken. Het belangrijkste is dat we de vragen van de kinderen serieus nemen en erover met hen in gesprek blijven.'(p. 310)

Joanne Klink

De omgang van kinderen met de Bijbel en de wereld van geloven mag zich in de warme belangstelling verheugen van de remonstrantse theologe Joanne Klink. Zij is de auteur van de destijds succesvolle uitgave ‘Bijbel voor de kinderen met zingen en spelen' (1959). Dit tweedelige werk is expliciet bedoeld voor kinderen én hun ouders. Joanne Klink neemt het kind nadrukkelijk bij de hand mee naar de Bijbel en niet andersom. Kinderen worden serieus genomen, niet ‘kinderlijk' bejegend, maar als ‘volwaardige partners' in de geloofsopvoeding beschouwd. Haar grote liefde voor de Bijbel vertolkt Joanne Klink in een pleidooi voor een kindvriendelijke kerk waarin kinderen mogen meedoen zonder apart te worden gesteld. In haar uitgave ‘De kleine mens en het grote boek' (1976) stelt zij de vraag aan de orde of de Bijbel een boek is voor kinderen. Gelet op de fascinatie die kinderen voor Bijbelverhalen aan de dag leggen, merkt Klink op dat het daarin blijkbaar gaat om oervragen waardoor ieder mensenkind wordt geraakt. Zoals: waar komen we vandaan, waar gaan we heen, worden we aangenomen of alleen gelaten en aan ons lot over gelaten of is er Iemand die ons leidt en redt? Geen kind is daarom volgens Klink te jong voor datgene waar het in de bijbel om gaat. Dat wil zeggen: voor zover het kind praten of meedenken kan (p.16). Die pedagogische focus houdt zij echter niet vast. Gaandeweg verschuift haar aandacht steeds meer van de Bijbel naar de uitleg van het menselijke bestaan. Deze verschuiving is terug te vinden in: ‘Naar de tred van de kinderen' (1981).

 

‘Recht toe recht aan verhalen uit de Bijbel aan kinderen vertellen gaat niet meer. Het is tegenwoordig een eerste vereiste geworden dat we niet over de hoofden van de kinderen heenpraten of een bijbelwereld oproepen die toch een verre wereld blijft. Men wil de Bijbel integreren in het leven van de kinderen. Is daar echter niet méér dan een ‘opstapje' voor nodig? Is het in werkelijkheid niet erg moeilijk om die verhalen echt actueel te maken voor kinderen? [...] In de protestantse kindercatechese zoekt men meestal een ervaring uit het leven van de kinderen bij een verhaal uit de bijbel. Voor ons zou het echter wel eens nuttig zijn om van de andere kant te beginnen. Maak eens een overzicht van wat kinderen in het algemeen beleven en meemaken. En probeer daar dan verhalen uit de Bijbel of thema's bij te vinden die deze ervaringen raken.' (pp. 23v.)

 

Terugkijkend wordt duidelijk dat Joanne Klink eind jaren '70 afscheid nam van de gedachte dat de Bijbel geschikt zou zijn voor kinderen. Zij ging verhalen schrijven over Bijbelse thema's, gebeden en geloofsverhalen - maar ook daarin ontbreekt veelal het gesprek met kinderen over geloven en Bijbelverhalen.

Gesprekken?

Nee, op enkele uitzonderingen na laat het genre van de kinderbijbel dat gesprek met kinderen niet toe. Er zijn nog enkele uitgaven in de trant van ‘kinderen vertellen de bijbel' of ‘kinderen tekenen de bijbel', maar daar blijft het bij. Voor het geloofsgesprek met kinderen moeten we kennelijk elders zijn. Vreemd eigenlijk. Verhalen als de zondvloed, het bijna-offer van Izak, dat van de dochter van Jefta, de inname van Kanaän of de kruisiging op Golgotha verdienen het om in kinderbijbels hinderlijk maar heilzaam onderbroken te worden door vragen en gesprekken. Zo gaan de verhalen leven en hebben ze zich te verantwoorden. En zo kunnen ze worden aangevuld met levenservaringen van jonge mensen van nu. En wel zo dat zij zich de verhalen eigen kunnen maken.

Literatuur

  • Gertie Evenhuis & Nico Bouhuijs, Dromen van vrede. Bijbelverhalen voor de jeugd. Amsterdam 1971.
  • Joanne Klink, ‘Bijbel voor de kinderen met zingen en spelen'. Baarn, deel OT: 1959 / deel NT: 1961.
  • Willem van der Meiden, ‘Zoo heerlijk eenvoudig' - geschiedenis van de kinderbijbel in Nederland. Hilversum 2009.
  • Baukje Offringa, Op weg. Verhalen uit de bijbel voor kinderen. Zoetermeer 1994.

 Dr. Willem van der Meiden.JPG

Dr. Willem van der Meiden is theoloog, journalist en communicatieadviseur.

 

 

 

 

 

 

 

Naar het archief >>>

 


 

[1] Willem van der Meiden, ‘Zoo heerlijk eenvoudig' - geschiedenis van de kinderbijbel in Nederland. Hilversum 2009.

[2] Rotterdam 1698. Het Engelse origineel Some Thoughts concerning Education verscheen in Londen in 1693.

[3] Het citaat van Locke en dat van Chatelain stammen uit D. Buddingh, Geschiedenis van opvoeding en onderwijs, met betrekking tot het bijbellezen en godsdienstig onderrigt op de scholen, in de Nederlanden, naar aanleiding van het Koninklijk Besluit van 2 Januarij 1842, 's-Gravenhage 1842, pp. 118 en 124.
[4] Respectievelijk J.H. van der Palm, Bijbel voor de jeugd, 24 delen, Leiden 1811-1834, S.I. Mulder, Bijbel voor de Israëlitische jeugd, 17 delen, Leiden 1843-1854, en A.B. van Meerten-Schilperoort, Kinderbijbel of Bijbelsche verhalen voor jonge kinderen, 5 delen, Amsterdam 1845.
[5] Het gaat om uitgaven van E.J. Debourt (waarschijnlijk 1788), G. van Alphen (1799), Rudolf Christoph Lossius (1799), Johannes Hazeu (1801), Freerk Hoekstra (1815) en W. Beekhuis (1817). Het boek van Lossius is vertaald uit het Duits. Het oudste boek, dat van E.J. Debourt, heeft de intrigerende titel Bijbelsche Godgeleerdheid voor Kinderen, maar is helaas in geen enkele bibliotheek in Nederland in te zien.
 

 

 

OVER KINDERBIJBELS

Dissertatie Van der Meiden.JPG

 

Al drie eeuwen lang worden er in Nederland kinderbijbels en 'vertalingen' van Bijbelgedeelten voor kinderen uitgegeven. Naar deze rijke traditie (er zijn bijna 900 verschillende uitgaven bekend), is heel weinig wetenschappelijk onderzoek gedaan. In zijn toegankelijk geschreven dissertatie ‘Zoo heerlijk eenvoudig' - geschiedenis van de kinderbijbel in Nederland (2009) heeft Willem van der Meiden het hele veld in kaart gebracht. Hij beschrijft talloze kinderbijbels en citeert veelzeggende passages, staat stil bij bijzondere uitgaven en trendbreuken en brengt de ontwikkelingen binnen het genre van de kinderbijbel in verband met kerk en theologie, opvoedingsidealen, liefde voor de Bijbel en vroomheid, verzuiling en niet te vergeten: de voortgaande secularisering in de Lage Landen.

  

Eerste Kinderbijbel 1703.JPG

 

De eerste Kinderbijbel verscheen in 1703 van de hand van de Zwolse onderwijzer, boekverkoper. catechiseermeester en voorzanger Barend Hakvoord. Hij probeerde Bijbelverhalen na te vertellen voor een jeugdige doelgroep. Daarbij volgde hij de Bijbeltekst zeer letterlijk. Anderzijds voegde hij zijn eigen inzichten toe. Van der Meiden merkt op dat Hakvoord al halverwege lijkt te zijn vergeten dat hij voor kinderen schrijft. Maar veel problematischer was het gegeven dat hem werd verweten dat hij een afwijkende en zelfs atheïstische leer verkondigde. Dat neemt niet weg dat Hakvoord met zijn beknopte kinderbijbel een trend heeft gezet die tot de dag van vandaag in een grote behoefte blijkt te voorzien. Niet alleen bij opvoeders thuis, maar ook bij (aankomende) leraren basisonderwijs. Meer dan eens komen zij tot het besef dat zij niet over een adequate kennisbasis beschikken. Dat gemis is een belemmering om op een zinvolle wijze inhoud te geven aan de godsdienstige oriëntatie en vorming van de kinderen die aan hen zijn toevertrouwd. En de problematiek wordt nog schrijnender wanneer zij aangewezen zijn op schoolmethoden die geen recht doen aan de pedagogiek van de hoop (Bert Roebben) en de ontdekking van elementaire godsdienstige levensbetekenissen.

 

In zijn column gaat Willem van der Meiden in op de vraag of schrijvers van kinderbijbels daadwerkelijk in gesprek gaan met kinderen. Vreemd genoeg blijkt dat niet, of nauwelijks het geval. Daar ligt dus een niet geringe godsdienstpedagogische uitdaging die tegelijkertijd om de nodige expertise vraagt. En daarmee komen we op een heikele kwestie. In Nederland is de godsdienstpedagogische research en ontwikkeling in het domein van het basisonderwijs lange tijd geen prioriteit geweest. Er valt dan ook een geweldige inhaalslag te maken. Niet in de laatste plaats op het terrein van de Bijbeldidactiek. Die uitdaging geldt eveneens voor het deelgebied waar Van der Meiden onze aandacht op richt. (jgv)