homecontactkennisbankinloggensitemapzoeken  
vorige pagina pagina afdrukken
nzv uitgevers

JOHAN VALSTAR / JANUARI FEBRUARI 2013

...

Het fascinerende genre van de gelijkenis (1/3)

Johan Valstar

 

Intro: het probleem van Ilse

In deze rubriek kwam enige tijd geleden het probleem van eerstejaarsstudente Ilse ter sprake. Zij keek na de eerste drie maanden op de Pabo terug op haar ervaringen met het godsdienstonderwijs. Een citaat: "Sinds ik op de Pabo zit voel ik me gewoon een analfabeet ten aanzien van de Bijbel." Gelukkig vermeldt zij ook een positieve leerervaring: "De gelijkenissen die tijdens de lessen vers 

2 Willy Fries - Rijke man & arme Lazarus -.JPG ...

voor vers zijn uitgelegd, waren voor mij volkomen nieuw, hoewel ik ze al lang kende. Wat mij betreft wordt er in elke godsdienstles op de Pabo een bijbelverhaal uitgelegd. Zoiets is toch heel leerzaam, want ik denk niet dat er veel in onze klas zijn die zelfstandig met de verhalen uit de voeten kunnen."  De problematiek die Ilse aankaart, heb ik in de V&O-Column van juni 2009 van enkele kanttekeningen voorzien.

Die lopen resumerend uit op enkele oplossingsgerichte aanbevelingen. Het zou naar mijn idee om te beginnen de moeite waard zijn om een oriënterend onderzoek in te stellen naar de kwaliteit van de betreffende kennisbasis op Pabo's. Tevens zou het naar mijn opvatting aanbeveling verdienen om te onderzoeken in hoeverre de gangbare methoden voor het godsdienstonderwijs op een kwalitatieve wijze in een kennisbasis voorzien. Aansluitend volgt nog een kanttekening: "Voor zover dat niet het geval mocht zijn, ligt de volgende suggestie voor de hand. Het zou een geweldige stap vooruit zijn wanneer de schoolmethoden, - naast de bestaande didactische arrangementen, toegankelijke en heldere elementaire handreikingen zouden bevatten. Vraag het maar aan Ilse en de andere aankomende leraren basisonderwijs."

 

Schoolmethoden

Nu is Ilse bepaald niet de eerste en de enige student die mij met haar problematiek confronteerde. Haar verhaal is exemplarisch voor een het merendeel van de studenten die ik vanaf 1975 als vakdocent onder mijn hoede kreeg. Aanvankelijk kon ik mijn studenten nog verwijzen naar de handboeken van prof. Bijlsma. Maar de aangekondigde vernieuwing daarvan kwam niet van de grond. Dat bracht mij er in 1997 toe om in het Tijdschrift Voorwerk een artikel te publiceren onder de veelzeggende titel: ‘Mooie verhalen, maar de Bijbel lezen kan ik niet.' Wanneer ik afga op recente signalen uit de wereld van het basisonderwijs, is de behoefte aan basale achtergrondinformatie bij verhalen uit de bijbel nog steeds een urgent probleem. Van ervaren leerkrachten kreeg ik kritiek binnen op de kwaliteit van hun schoolmethoden. Kort samengevat: ‘Met de inhoud van de verhalen wordt nogal oppervlakkig omgegaan. De achterliggende motieven en impliciete bedoelingen van de verhalen worden niet of slechts marginaal verhelderd. De relevantie en de betekenisgeving van de verhalen voor de leerlingen komt niet voldoende uit de verf. De lessuggesties en de gesprekspunten zijn te algemeen gesteld en te weinig uitdagend voor de leerlingen.'

De praktijk

Met het probleem van de ontbrekende vakspecifieke oriënteringsbasis is elke lerarenopleider voor het domein godsdienst bekend. Bij stagebezoeken ben ik er bij herhaling mee geconfronteerd. Vooral als er volgens het methodische leesrooster een wonderverhaal of een gelijkenis van Jezus aan de orde moest komen. Om mij in het kader van deze column tot de laatste categorie te beperken: mijn studenten hadden in de regel hun uiterste best gedaan op de voorbereiding van de vertelling van de gelijkenis. Bij gebrek aan specifieke achtergrondinformatie waren sommigen voor de zekerheid zelfs bij een lokale predikant of pastoor langs geweest om een dieper gaande uitleg te krijgen. Dat bleek achteraf meer dan eens verrassende inzichten op te leveren. Gewoonlijk liep het merendeel van de studenten echter vast bij het tweede deel van hun stage-opdracht: ‘Maak voor de leerlingen een zinvolle verwerking bij het verhaal.' Met name omdat daarin het heikele punt van de relevantie en de toe-eigening van betekenissen door de leerlingen gestalte moest krijgen. En zoiets lukt uiteraard alleen wanneer de essentie van het verhaal duidelijk is.

Hoewel alle studenten con amore met het principe van de verwerking konden instemmen, voelden zij zich daartoe inhoudelijk en methodisch meestal onvoldoende toegerust. Sommigen klaagden dat bij de godsdienstlessen op hun oefenscholen weinig inspirerende werkvormen voorkwamen. Anderen merkten op dat zij zelfs helemaal geen toepassingen op het niveau van de leerlingen meemaakten. Enkelen vroegen zich af of zij wel van de geijkte patronen op hun stageschool mochten afwijken. Die vraag leverde begrijpelijkerwijze discussies op. En na verloop van tijd van mijn kant een nieuw begeleidingsinitiatief.

Copernicaans experiment

Lessons learned, besloot ik de studenten die op het bezoekrooster stonden, uit te nodigen om vooraf op de Pabo een inhoudelijk en didactisch overleg te voeren. Van dat aanbod werd dankbaar gebruik gemaakt. Vooral vanaf het moment dat ik ook nog eens aankondigde de stagepraktijk niet langer te zullen beoordelen op de gebruikelijke vertelling, maar op de kwaliteit van de verwerkingsactiviteiten en de betekenisgeving door leerlingen. Uiteraard riep die Copernicaanse mededeling aanvankelijk enige verwarring op. Die verdween als snel met de doorvoering van het ondersteuningsaanbod bij de onderwijsvoorbereiding. Mijn argument: ‘Je groeit als aankomende leraar meer van een gelukte, dan van een mislukte godsdienstles' gaf degenen die nog twijfelden aan de nieuwe begeleidingsaanpak het nodige vertrouwen.

 

>>> Lees verder

 

AANLEIDING

1 Sociogram - onderzoek tijd van Jezus.jpg

 

 

Dezer dagen wordt in het kader van een kindertheologisch DVD-Project in Vlaanderen en Nederland een serie educatieve praktijken in het basisonderwijs geregistreerd. De coproductie die onder de regie staat van Vlaamse inspecteur voor het godsdienstonderwijs mevrouw Marleen Willems en de beide Nederlandse V&O redacteuren, beoogt te voorzien in de toenemende vraag naar de inhoudelijke upgrade van het godsdienstonderwijs. Eén van de te behandelen thema's heeft betrekking op de ontsluiting van gelijkenissen. Bij de voorbereiding daarvan liet ik me inspireren door de opmerkingen van studente llse, die wel met gelijkenissen bekend was, maar de betekenis pas later in de gaten kreeg. Dat is niet verwonderlijk. Gelijkenissen spelen zich af in lang vervlogen tijden en in een heel andere maatschappelijke en culturele context.

Om die reden nemen we gewoonlijk alleen datgene waar wat ons min of meer bekend voorkomt. Wanneer we een gelijkenis bestuderen, zal de achterliggende betekenis dan ook in eerste instantie verborgen blijven. Wie tot een zinvol verstaan wil komen, dient zich op de wereld van toen te oriënteren.
In deze meer omvattende column beperken we ons tot een exemplarische verdieping.
Ter introductie worden enkele oriëntaties en aanwijzingen geboden. Bij wijze van eyeopener nemen we een gelijkenis van Matteüs onder de loep. De leesoefening zal ons tenslotte dichter bij het motief brengen van het zogenoemde omkeringsprincipe, een theologisch principe en tevens een stijlfiguur die veelvuldig in gelijkenissen voorkomt. Het principe is even kenmerkend als verhelderend voor het optreden van rabbi Jezus uit Nazareth.