homecontactkennisbankinloggensitemapzoeken  
vorige pagina pagina afdrukken
nzv uitgevers

Columns

...

Deze rubriek staat open voor studenten, leerkrachten, ouders, lerarenopleiders en andere geïnteresseerden die hun inzichten met anderen willen delen. Reacties zijn altijd welkom. Wil je een eigen bijdrage aan deze rubriek leveren? Prima! Stuur je voorstel naar de kernredactie. Het criterium voor plaatsing is de aanwezigheid van een relatie met een of andere problematiek, een opmerkelijke onderwijspraktijk, of een (deel)thema dat in het studieboek V&O aan de orde komt. Columns met een omvang van meer dan 1500 woorden verschijnen in een tweemaandelijkse editie.

 


NOVEMBER 2014 / JANUARI 2015

Kindertheologisch leren kijken

Gerhard Büttner

Kindertheologische bril...

Wanneer we een kindertheologische bril opzetten, letten we gewoonlijk eerst op theologische gedachten die kinderen ter sprake brengen. Zo mogelijk vergelijken we die met opvattingen die gangbaar zijn in de theologische vakliteratuur. En dan vragen we ons af of de uitspraken van kinderen daarmee overeen stemmen, -of juist niet. Dat kan vervolgens de aanleiding zijn om met hen een kindertheologisch gesprek aan te gaan. Maar vermoedelijk gaan we op die manier te snel en te kort door de bocht. Om de eenvoudige reden dat we de betekenis van onze eigen rol als onderwijsgevende onderschatten. Tenslotte zijn wij degenen die het onderwijsleerproces op gang brengen en daaraan vorm en richting geven. Daarbij maken we ook inhoudelijk allerlei keuzen.

Een voorbeeld

Stel dat ik als leerkracht een les ga voorbereiden over het verhaal van de 'wonderbare spijziging' (Joh. :1-15). Dan zal ik om te beginnen het betreffende verhaal vanuit het Nieuwe Testament bestuderen. Als ik er ook nog een 3. De vier Evangelien in een schematisch overzicht.jpg ...Bijbelcommentaar op nalees, blijkt dat het verhaal over de spijziging bij herhaling in de vier de Evangeliën voorkomt (Matteüs 14:13-21 / 15:32-39, Marcus 6:33-44 / 8:1-10, Lucas 9:10-17 en Joh. 6:1-15). En ook nog in verschillende versies. Wanneer ik me daar nader in verdiep, vallen twee opmerkelijke gegevens op. Zo vertelt het evangelie van Marcus het verhaal van de spijziging twee keer. Daarbij is respectievelijk sprake van een schare van 5000 en 4000 personen.
Wanneer we het evangelie van Johannes er op nalezen, zien we dat hij met heel eigen kijk op het verhaal van de spijziging komt. Opvallend is dat Jezus het gebeuren van de maaltijd op een symbolische wijze op zichzelf betrekt. Hij zegt. ´Ik ben het brood des levens; wie tot mij komt, zal nimmermeer hongeren en wie in mij gelooft, zal nimmermeer dorsten (Joh. 6:35). In theologische commentaren wordt deze verwijzing in verband gebracht met het avondmaal.

 

De verschillende verhalen over de 'wonderbare spijziging' brengen me op de vraag welke versie ik bij de voorbereiding van mijn vertelling zal gebruiken. Wellicht is de symbolische duiding in het Johannesevangelie nog te ingewikkeld. Het lijkt mij trouwens aannemelijker dat de kinderen vooral geïnteresseerd zullen zijn in de vraag of het wonderlijke verhaal ‘in het echt' zo gebeurd is en hoe dat dan kan... Dan mogen we de vraag verwachten of de spijziging van zoveel mensen misschien wel een of andere truc is...
Wanneer ik hierover nadenk, kom ik met exegetische commentaren niet veel verder. Op zo´n moment ben ik als leerkracht geheel op mezelf en mijn eigen theologische zienswijze aangewezen. Hoe zou ik het verhaal van de wonderbare spijziging willen interpreteren? En wat kunnen mijn leerlingen daar dan mee? Dat zijn vragen die me bij de voorbereiding van deze godsdienstles bezig houden.

Ter verheldering

In dit verband kan het verhelderend zijn om te attenderen op een onderscheid dat we in commentaren op wonderverhalen kunnen tegenkomen. Daar wordt een verschil gemaakt tussen (ten minste) drie mogelijke interpretaties:

1. Bovennatuurlijk

De bovennatuurlijke interpretatie houdt er rekening mee dat wonderen feitelijk gebeuren zoals ze in de Bijbel staan beschreven. De macht van God maakt het Jezus mogelijk om ongewone dingen te doen die natuurwetenschappelijk bekeken eigenlijk niet denkbaar zijn. Zo leveren vijf broden en twee vissen (zelfs meer dan) voldoende te eten op voor een grote mensenmenigte

2. Rationeel

De rationele interpretatie gaat ervan uit dat achter het wonder wellicht begrijpelijke omstandigheden verborgen zitten. Om een voorbeeld te geven: zo zouden de mensen, - geïnspireerd door de prediking van Jezus misschien spontaan bereid zijn geweest om het brood dat zij zelf hadden meegenomen met anderen te delen. Met het gevolg dat er voor iedereen genoeg te eten was.

3. Symbolisch

Een derde mogelijkheid is de symbolische interpretatie, zoals we die bij herhaling in het evangelie van Johannes tegenkomen. Daar is, - zoals reeds opgemerkt , Jezus zelf het brood dat leven geeft.

 

Het is betrekkelijk eenvoudig om de bovenstaande interpretaties los van elkaar te lezen en daar naar believen een keuze uit te maken. In dit verband is het interessant om te vermelden dat alle uitleggers op de een of andere manier van de bovengenoemde interpretaties gebruik maken. Een aantal wonderen wordt veelal als historisch opgevat. Andere uitleggers wensen wonderen vooral als symbolische verhalen te zien. In de regel blijft het antwoord op de vraag of een bovennatuurlijk ingrijpen van hogerhand al dan niet mogelijk is, een persoonlijke kwestie. Het antwoord zal uiteindelijk afhangen van de eigen godsdienstige beleving en overtuiging. Op dit punt maken we een eerste pas op de plaats om stil te staan bij de theologie van kinderen en de theologie van leerkrachten.

Over de theologie van kinderen

We weten dat kinderen tot omstreeks de leeftijd van 8 jaar bereid zijn om ongewone of wonderlijke aspecten bij een bepaald verhaal zondermeer te accepteren. Daarbij kan de mate van hun godsdienstige socialisatie een rol spelen. Dat neemt niet weg dat kinderen meestal geneigd zijn om eerst naar een rationele verklaring te zoeken. Anderzijds kan het gebeuren dat de vraag naar een verklaring eenvoudigweg in het midden wordt gelaten en kennelijk geen enkele rol speelt. De ervaring leert dat de verschillende opvattingen binnen deze leeftijdsgroep gewoonlijk geen onderlinge spanningsvelden opleveren.
Het naast elkaar bestaan van verschillende zienswijzen wordt meestal zonder enig commentaar aanvaard.

Over de theologie van leerkrachten

Van leerkrachten mag men verwachten dat zij over een theologische basiskennis beschikken en hun eigen theologische standpunten bepalen. En dat zij in staat zijn om daar op een open wijze mee om te gaan. Al was het maar vanuit de wetenschap dat er bij wonderverhalen nu eenmaal uiteenlopende visies en interpretaties mogelijk zijn. Verder: anno nu komen kinderen in toenemende mate met diverse opvattingen de basisschool binnen. Idealiter zouden leerkrachten dan ook op de hoogte moeten zijn van hun levensbeschouwelijke beginsituaties. De toenemende diversiteit vraagt om een evenwichtige voorbereiding van de godsdienstles. Wanneer de leerkracht met eigen interpretaties komt, dan dient de betekenis daarvan niet te worden verabsoluteerd, maar telkens te worden uitgelegd met het oog op de leerlingen.

Bijbelse geschiedenis

Wat we in de godsdienstles aan de orde stellen en met de kinderen bespreken, heeft betrekking op ‘bijbelse geschiedenis'. Deze veelkleurige term omvat twee noties. In de eerste plaats: de inhouden spelen enerzijds in het verleden oftewel de tijd van toen, en maken als zodanig deel uit van de geschiedenis. Tegelijkertijd gaat het om verhalende geschiedenis oftewel om ´narratieven´ die het verleden overstijgen en van existentiële betekenis kunnen zijn.
Als het gaat om verhalen over de geschiedenis van Rabbi Jezus zal niemand er aan twijfelen dat hij in de toenmalige situatie rond de jaren ´30 van onze jaartelling inderdaad in de regio van Gallilea en daarbuiten werkzaam is geweest. Ook niet wanneer men eventueel zijn wonderen in twijfel wenst te trekken. Tot zover enkele opmerkingen bij de episode van Rabbi Jezus van Nazareth.

 

4. Een referentiekader bij de de ontwikkeling ...Veel ingewikkelder wordt het evenwel wanneer we kennis nemen van de oeroude verhalen over Abraham, Isaak, Jakob, Jozef en Mozes. Die spelen namelijk in een voorhistorisch tijdperk (Tussen haakjes: de moderne geschiedschrijving begint pas rond 450 voor Chr. met de Griekse historicus Herodotus, die algemeen als ‘de vader van de geschiedschrijving' wordt beschouwd). Met dat gegeven dient zich de vraag aan hoe wij als onderwijsgevenden tegen dergelijke oeroude verhalen aankijken en er mee omgaan. En hoe deze verhalen uit lang vervlogen tijden bij leerlingen in de basisschool overkomen. En welke gedachten zij bij de leerlingen oproepen.
En dan hebben we het nog niet eens over de elementaire vraag naar de betekenisgeving van de betreffende verhalen.

Over de theologie van kinderen

In de eerste jaren van het basisonderwijs zijn leerlingen bereid om de verhalen op een naïef-realistische wijze te verstaan als mededelingen van gebeurtenissen die zich ook werkelijk zo hebben voltrokken. Maar na verloop van tijd komt bij hen de wens op om te weten hoe deze verhalen sporen met hun eigen besef van de realiteit. Vanuit de seculiere beleving van de wereld zullen zij zich bijvoorbeeld afvragen hoe de Uittocht uit Egypte zich heeft voltrokken.
Wanneer kinderen van huis uit zijn opgegroeid met het besef van de bijzondere status van Bijbelverhalen, dan ligt het voor de hand dat zij zich daarnaar richten en de ‘voorhistorische verhalen' als ‘historisch' zullen zien. Al was het maar omdat het besef van de distantie tussen het heden en het verleden nog grotendeels ontbreekt. De ontwikkeling van hun historisch besef en de oriëntatie op het historisch denken en redeneren vraagt nu eenmaal de nodige tijd en komt pas in de bovenbouw van het basisonderwijs enigszins op gang.

Over de theologie van leerkrachten

Leerkrachten dienen te onderzoeken hoe leerlingen zich (bijvoorbeeld) de geschiedenis van de Uittocht uit Egypte voorstellen. En hoe zij met de kwestie van de historiciteit omgaan. Dat vraagt om de nodige kennis van de inhoud en de ontstaansgeschiedenis van de eerste vijf boeken van het Oude Testament. Pas dan kunnen de verhalen in hun eigen context worden begrepen en verstaan. Kinderen komen ook met vragen over de personages in de verhalen. En zij willen dingen weten die de Bijbel niet vermeldt. Wanneer de leerkracht daar niet op is voorbereid, dan resten alleen de eigen toevallige inzichten die voor ‘de waarheid' doorgaan. Resumerend: ook hier wordt duidelijk dat de nadere bezinning op -, en de verheldering van de eigen benadering en visie van de leerkracht nieuwe perspectieven kan bieden. De ervaring leert dat zoiets alleen mogelijk zal zijn, wanneer leerkrachten beschikken over een basale oriëntatie ten aanzien van de boeken en de wereld van het Oude Testament.

Meervoudige zienswijzen

Op de basisschool maken de leerlingen tijdens de godsdienstles enerzijds kennis met oeroude religieuze verhalen over Adam en Eva. Anderzijds zijn zij bekend met de fascinerende vondsten van dinosaurussen en de moderne natuurwetenschappelijke visie op het ontstaan van de wereld. Op het eerste gezicht lijken verhalen over de schepping in 7 dagen en de kosmische oerknal (‘de big bang') elkaar uit te sluiten. Tenzij we ons realiseren dat het gaat om complementaire zienswijzen op de werkelijkheid.
In de lerarenopleiding basisonderwijs behoort de meervoudige perspectiefneming expliciet aan de orde te orde te worden gesteld. Wanneer het verhaal van Mozes en de bevrijding uit de slavernij van Egypte als narratief wordt verstaan en voor waar wordt gehouden, blijft alsnog nog de uitdaging staan hoe we die bevrijdende betekenis aan de leerlingen duidelijk kunnen maken. Dat kan bijvoorbeeld door terug te grijpen op de Joodse traditie van de Pesachviering. Wanneer op de seideravond aan de hand van de Haggada (vertelling) wordt gezegd: ‘ Wij waren knechten van de Farao...' wordt de geschiedenis uit het verre verleden verhalend geactualiseerd en opnieuw beleefd. Ook al is niemand ooit in Egypte geweest. Tenslotte: Het godsdienstonderwijs beweegt zich altijd op de rand van wat wel en wat niet gekend kan worden. Dat maakt het vak godsdienst aantrekkelijk en de moeite waard, maar ook riskant.

Tenslotte: kanttekeningen bij Godsvoorstellingen

Kinderen houden er zeer uiteenlopende godsvoorstellingen op na. Dat is 5. Godsvoorstellingen van leerlingen....jpgalgemeen bekend. In tekeningen stellen zij God veelal antropomorf (mensvormig) voor. Bijvoorbeeld als een man die op de wolken zit en met een telescoop naar de wereld kijkt. En met grote oren zodat hij de gebeden van de mensen kan horen... (enzovoort).
Hoe dienen volwassenen en leerkrachten in het bijzonder met dergelijke voorstellingen om te gaan?
Niet ongebruikelijk is het advies om kinderen op het spoor te zetten van abstracte voorstellingen. Maar dat advies is nogal voorbarig. Want het is in alle gevallen nog maar helemaal de vraag of kinderen met hun voorstellingen inderdaad datgene bedoelen wat volwassenen er op het eerste gezicht uit menen te mogen concluderen.

Godsvoorstellingen van kinderen

Onderzoek wijst uit dat kinderen bij het maken van tekeningen regelmatig teruggrijpen op eerdere voorstellingen die zij inmiddels al achter zich hebben gelaten. Wanneer kinderen zelf mogen uitleggen wat zij (naar het zich laat aanzien) ‘antropomorf' hebben getekend, blijkt dat zij dikwijls geïnteresseerd zijn in het verschil tussen God en de mensen. Nog zo'n kanttekening: vanuit het besef dat God ‘anders' is, kunnen kinderen reeds op zeer jeugdige leeftijd uit eigener beweging de overstap maken van antropomorfe naar abstracte godsvoorstellingen.
Talrijke studies maken ons er op attent dat kinderen er gelijktijdig zowel concrete als abstracte en symbolische voorstelling op nahouden. En dat zij al naar gelang de wisselende situatie de ene of de andere godsvoorstelling in beeld brengen.
Met andere woorden: het dringt geleidelijk aan tot hen door dat hun weergave eigenlijk geen werkelijke afbeelding van God kan zijn. Het is dan ook van belang om met kinderen in gesprek te gaan over de context en de aanleiding van de desbetreffende voorstelling. Dat is in feite de enige manier om hun bedoelingen helder te krijgen.

Godsvoorstellingen van volwassenen

Onderzoek wijst tevens uit dat ook de godsvoorstelling van volwassen al naar gelang van wisselende omstandigheden veranderlijk kan zijn. Wanneer zij God ter sprake brengen, zullen volwassenen zich in de regel generen voor een antropomorfe voorstelling van God. Maar tot wie richten we onze gebeden dan als het er in ons leven echt op aan komt? Dan spreken we God het liefst persoonlijk aan. Al met al: zowel kinderen als volwassenen kunnen beschikken over beide manieren van concreet én abstract verstaan. En dan ook nog gelijktijdig.
Wanneer we ons daar eenmaal van bewust zijn, kan de confrontatie met kinderlijke voorstellingen veranderen van een problematische naar een boeiende aangelegenheid. Die verrassende ontdekking kan ons er van weerhouden om aan kinderen een of ander (abstract) beeld van God op te dringen.
Het voortschrijdend inzicht ten aanzien van godsvoorstellingen van kinderen biedt opvoeders tevens de ruimte om zonder gêne om te gaan met hun eigen innerlijke voorstellingen van God.
Ook wanneer die eventueel niet ‘theologisch correct' zouden zijn.

>>> Naar het archief

 

OVER PROF. BÜTTNER

1. Prof. Gerhard Buettner.jpg

 

 

Prof. Dr. Gerhard Büttner behoort tot het circuit van de toonaangevende kindertheologen in het Duitse taalgebied. Zijn onderzoek en publicaties berusten op het principe dat kinderen volstrekt serieus dienen te worden genomen. Kinderen staan aan het begin van een levenslang leerproces. Het ‘kind zijn' is allerminst een voorfase van ‘het eigenlijke leven', maar een volwaardige levensfase. En net zoals dat bij andere fasen in de levensloop het geval is, kunnen zij uit eigener beweging tot betekenisvolle theologische reflecties komen. Büttner stelt dat kinderen en volwassenen met dezelfde godsdienstige thema's worden geconfronteerd. En dat zij zich in principe met dezelfde vragen bezig houden. Kinderen en volwassenen doen dat op hun eigen wijze. Kinderen verkennen vragenderwijs hun wereld en hebben behoefte aan support van volwassenen. Büttner geeft aan dat leerkrachten recht behoren te doen aan het theologiseren van hun leerlingen. En dat leerkrachten zich bewust dienen te zijn van de rol die zij daarbij kunnen spelen.

OVER DEZE COLUMN

2. Over deze Column.jpg

 

 

In deze column noteert prof. Büttner om te beginnen enkele vragen die op tafel komen bij de voorbereiding van een les over een wonderverhaal. Tevens maakt hij melding van een drietal mogelijke interpretaties van wonderverhalen. Waarbij hij de kanttekening maakt dat leerkrachten hun eigen theologische opvattingen niet dienen te verabsoluteren. Godsdienstonderwijs heeft per definitie te maken met verhalen die onder de noemer staan van ´Bijbelse geschiedenis'. Nieuwtestamentische verhalen uit de tijd van Jezus zijn vergeleken met de veel oudere verhalen uit de wereld van het Oude Testament beter te verstaan. Dat neemt niet weg dat de ontwikkeling van het historisch besef van kinderen overigens pas in de bovenbouw van het basisonderwijs enigszins op gang komt. De vraag naar de perceptie en het voorstellingsvermogen van de kinderen is dan ook een blijvend aandachtspunt. En anderzijds is duidelijk dat de leerkracht moet kunnen beschikken over een basale oriëntatie ten aanzien van de boeken van de Bijbel en de wereld van toen. De bijgaande column wordt tenslotte afgesloten met enkele informatieve kanttekeningen over Godsvoorstellingen van kinderen en volwassenen.

 

 

Voetnoot JGV:
in zijn manuscript heeft prof. Büttner zijn drie statements in kolommen
geplaatst. Zie onderstaande bijlagen.