homecontactkennisbankinloggensitemapzoeken  
vorige pagina pagina afdrukken
nzv uitgevers

Praktijk

...
Staat uw vraag er niet bij? Stel een vraag.


Leuk om te horen dat jouw leerlingen prima reageerden op het stripverhaal uit de serie ‘Vader en Zoon’ (V&O, 126). En dat het stripverhaal van Ohser hen opeens de ogen opende voor de betekenis van de gelijkenis van ‘De verloren zoon’. Zoals je zegt, kun dit tripverhaal opvatten als een incentief. Je vraagt of er ook een Nederlandstalige uitgave van deze serie is. Voor zover wij kunnen nagaan, is dat niet het geval. Misschien heb je inmiddels op Internet al meer stripverhalen van Ohser gevonden. Wat je vraag betreft naar de levensloop van de tekenaar nog het volgende. Ehrich Ohser woonde in Berlijn en had groot succes met zijn cartoons. Omdat hij zich kritisch opstelde tegenover het regime van Hitler kwam hij echter in de problemen. Met zijn vriend Erich Knauf werd hij opgepakt en gevangen gezet omdat hij een cynische grap had gemaakt over Heinrich Himmler, de leider van de Duitse SS en de Gestapo. Ten einde raad pleegde Ohser op 5 april 1944 zelfmoord in de gevangenis. Hij liet een afscheidsbrief na, waarin hij zijn vriend Knauf vrijpleitte van schuld. Dat mocht niet baten. Knauf werd op 2 mei 1944 geëxecuteerd. Meer Duitstalige en Engelstalige informatie vind je op http://www.e.o.plauen.de/site/index.html en http://www.vaterundsohn.de/e/index.asp?WKorbUID=969732


Bij de rubriek ‘Bronnen op Internet’ staat een interessante site over kinderbijbels. Aanvullend nog het volgende. Elke schrijver interpreteert. Ook kinderbijbelschrijvers gaan uit van een eigen zienswijze. Dat kan ook niet anders. Wie een verhaal doorvertelt, geeft er hoe dan ook iets van zijn eigen visie aan mee. Daarom is het goed om de zienswijze van kinderbijbelauteurs op het spoor te komen. Dat kan bijvoorbeeld door jezelf om te beginnen de volgende vijf vragen te stellen. (Zij zijn ontleend aan het Magazine OUDERS & COO.) 1. De originele tekst >>> Hoe is de tekst weergegeven? Letterlijk, verkort of juist meer uitgebreid? En wat wordt weggelaten? Naar welke teksten gaat de voorkeur van de auteur uit? Kijk eens wat de auteur doet met een verhaal dat je heel goed kent. Let ook op de opbouw van de kinderbijbel. Welke verhalen komen aan de orde en in welke volgorde? Wat opvalt is dat de meeste kinderbijbels één doorlopend verhaal samenstellen over Jezus, zonder aandacht te besteden aan de verschillen tussen de evangelisten. 2. Denkbeelden >>> Welke denkbeelden heeft de auteur? Een bekende zienswijze is bijvoorbeeld de veronderstelling dat God altijd aan de kant van de gehoorzame mensen staat. Of dat de goeden altijd worden beloond. Zulke denkschema’s worden vaak onbewust gehanteerd, maar staan in de regel haaks op de oorspronkelijke tekst. Nog een voorbeeld van denkschema’s: hoe gaat de auteur om met de vrouwen die in de Bijbel in verschillende rollen voorkomen? En tenslotte: sporen de denkbeelden met de joodse context van de Bijbel? 3. Verteltrant >>> Op welke manier spreekt de auteur kinderen aan? Wordt een bepaald godsdienstig milieu verondersteld? Welke visie heeft de auteur op de communicatie met kinderen? Is er ruimte voor vragen en worden die serieus genomen? Geeft het verhaal of de vertelling daarvan aanleiding om van gedachten te wisselen, of gaat het vooral om het bijbrengen van vanzelfsprekende waarheden? 4. Illustraties >>> Illustraties zijn belangrijk. Hoe zien ze eruit, spreken ze aan? Wat is hun functie? Voor wie het nog niet wist: illustraties of beelden kunnen bij kinderen net zo goed tot de verbeelding spreken als de verhalende teksten, soms zelfs meer. De beelden zijn als het ware toegangen tot het verhaal. Vooral als de tekenaar iets weet weer te geven van de essentiële momenten in het verhaal. Kunnen kinderen die inderdaad in de illustraties ontdekken? 5. Gebruiksmogelijkheden >>> Voor welke leeftijdgroep is de betreffende kinderbijbel bestemd? Biedt de uitgave een eerste introductie in de verhalenwereld, of gaat het om een nadere verdieping? Bieden de verhalen een gesloten systeem waarin weinig of geen plaats is voor vragen, of wordt het kind juist aangespoord om zelf vragen te stellen? Een kinderbijbel die kinderen aanspreekt en uitnodigt tot gesprekken verdient in alle gevallen de voorkeur.


In de rubriek Studielandschap / Werkvormen 7.1 vind je beknopte informatie over fototaal. In de rubriek Vragen / Diversen is een nadere toelichting gegeven. Op de vraag wat goede foto’s zijn, is op voorhand niet zomaar een antwoord te geven. Om een enkel voorbeeld uit de onderwijspraktijk te geven het volgende. Bij een zelf samengestelde serie foto’s gaf een eerstejaarsstudent zijn leerlingen de opdracht om een foto te kiezen die het meest bij Jezus paste. Leerlinge Soraya koos tot ieders verbazing een foto van een vader op een camping, die wanhopig probeerde zijn tent op te zetten. Zo te zien, lukte hem dat totaal niet. Toen aan Soraya werd gevraagd wat deze foto met Jezus te maken had, gaf zij een verrassend antwoord. ‘Ik vind dat deze vader helemaal op Jezus lijkt. Hij doet echt geweldig zijn best. Maar hij moet het wel allemaal in zijn eentje doen. Waarom staan de andere mensen zo dom te kijken? Waarom komt niemand hem helpen? Daarom vind ik dat deze foto bij Jezus past. Hij wilde goed voor de mensen zorgen. Maar ze lieten hem allemaal alleen. Dat vind ik heel verdrietig. En dat kan ik maar niet begrijpen!’ De reactie van Soraya maakt in ieder geval een belangrijk criterium voor ‘goede foto’s’ duidelijk: zij moeten in principe tot de verbeelding van de leerlingen kunnen spreken. Of dat het geval is, kun je als leerkracht moeilijk van te voren inschatten. Zorg er daarom om te beginnen voor dat je de leerlingen voldoende foto’s aanbiedt waaruit zij vervolgens hun eigen keuze kunnen maken. Welke foto’s ‘goed’ zijn, bepalen de leerlingen zelf. De alledaagse praktijk wijst in ieder geval uit dat de mogelijkheid van associaties kan worden beschouwd als een kenmerk van ‘goede’ foto’s. Zie voor diverse voorbeelden van dergelijke foto’s: de Beeldbank - Rubriek 13. Beelddidactiek.


(1) Je begint met de opmerking dat op jouw Pabo onlangs het vijfde hoofdstuk van Verwonderen & Ontdekken is behandeld. Over de mogelijkheid van het voeren van ‘theologische gesprekken met kinderen’ ben je enthousiast, omdat je dat heel belangrijk vindt voor de leerlingen. Waar je echter tegen aanloopt, is dat je in de stage nog geen enkele ervaring hebt opgedaan met zulke gesprekken. Bovendien mis je in de godsdienstmethode die op jouw stageschool wordt de nodige impulsen en inhoudelijke aanwijzingen om tijdens de godsdienstles een gesprek met de leerlingen aan te gaan dat, - zoals je zegt, dieper gaat dan ‘prietpraat’. Maar als we je mail goed begrijpen, maak je jezelf in de eerste plaats zorgen over lastige kindervragen die je als leerkracht misschien niet kunt beantwoorden. Die zorg is heel begrijpelijk. Anderzijds is het belangrijk dat je jezelf goed realiseert dat niet alle vragen in het leven zomaar te beantwoorden zijn. (2)In dit verband verwijzen we naar het eerste deel van V&O hoofdstuk 7. Daarin lopen de drie studenten Anne, Tina en Stefan tegen lastige vragen aan die hen te denken geven (blz. 196 - 204). Aansluitend volgt een passage over ‘kleine en grote vragen’ (blz. 204 - 205). Daarin wordt verwezen naar een belangrijke gedachte van de filosoof Heinz von Fürster. Hij maakt een onderscheid tussen (a) oplosbare vragen, en (b) vragen die per definitie onoplosbaar zijn. De oplosbare vragen zijn vaak allang beantwoord, of zij laten zich al redenerend beantwoorden. Het kenmerk van onoplosbare vragen is dat we zelf een beslissing moeten nemen. Het antwoord op onoplosbare vragen ligt uiteindelijk bij ons zelf. Als onderwijsgevenden hebben we niet alleen de vrijheid maar ook de pedagogische verantwoordelijkheid om onze antwoorden op onoplosbare vragen te kiezen. Wanneer dergelijke vragen in de groep ter sprake komen, staat of valt het gesprek met de pedagogische relatie tussen leerkrachten en leerlingen. Juffen en meesters weten heel veel, maar lang niet alles. Ook wanneer de leerkracht bijvoorbeeld op de hoogte is van theologische ideeën over Jezus, kan daar bijvoorbeeld nooit het geheim van de menswording van God worden verklaard. En juist dit besef van de eigen beperkingen en grenzen kan leerkrachten heel dicht bij de leerlingen brengen. (3) Wanneer leerkrachten hun leerlingen naar aanleiding van ‘onoplosbare vragen’ iets zinvols zouden willen meegeven, dan kan dat alleen maar op basis van authenticiteit en in de vorm van een reactie die in feite het karakter draagt van een persoonlijke geloofsuitspraak of een geloofsbelijdenis. Daarvoor hoef je op zich genomen niet volwassen te zijn. Het is heel bijzonder dat ook een kind al zo’n geloofsuitspraak of geloofsbelijdenis onder woorden kan brengen. En je doet er goed aan om je te realiseren dat uitspraken van kinderen misschien heel ‘anders’, maar nooit ‘minder’ zijn dan die van de juf of de meester. (4) Over het onderwerp ‘lastige vragen’ is veel meer te zeggen. Om nog een voorbeeld te geven: je staat er niet vaak bij stil, maar menige lastige vraag komt voort uit datgene wat eerder terloops door de onderwijsgevende zelf is opgemerkt. Nog een heel ander voorbeeld: soms kan het zijn dat een gedachtespinsel van een leerling door de leerkracht op voorhand als ‘een lastige vraag’ wordt geïnterpreteerd. Dat kan onnodige verwarring opleveren. Ten slotte: wanneer je als onderwijsgevende ‘de lastige vragen van leerlingen’ probeert te onderkennen en serieus te nemen, mag je aannemen dat de godsdienstles voor hen een stuk interessanter zal worden. Dat is althans de ervaring van de studenten Anne, Tina en Stefan bij hun lessenseries in hoofdstuk 7 van Verwonderen & Ontdekken (blz. 223 - 229).


Beste Anna. Je schrijft: “Graag zou ik willen weten hoe het zit met de uitleg van ‘Melaatsheid’. Van zoiets als ‘Huidvraat’ heb ik namelijk nog nooit eerder gehoord”. Dat klopt. Clazien Verheul, wetenschappelijk vertaalcoördinator neerlandistiek bij het Nederlands Bijbelgenootschap meldt dat 'Huidvraat' een nieuw, nog niet bestaand woord is. Zij typeert ‘Huidvraat’ als een beter alternatief voor de term ‘Melaatsheid’. Clazien Verheul: “Huid en vraat zijn wel bekende woorden, en je kunt bij de combinatie van die twee wel ongeveer bedenken wat dat zou kunnen betekenen.” De zelf bedachte term 'Huidvraat' vonden de auteurs van de Nieuwe Bijbelvertaling geschikt omdat het woord op een specifieke ziekte lijkt te wijzen, en bepaald niet onschuldig klinkt. Verheul: “Het klinkt wel vreemd. De lezers van De Nieuwe Bijbelvertaling zullen vermoedelijk wel moeten wennen aan dit nieuwe woord. Maar volgens sommige onderzoeken komen er elke dag wel veertig nieuwe woorden bij in het Nederlands, die met groot plezier of met tegenzin door de taalgebruikers worden verspreid en, als het 'blijvertjes' zijn, en er op den duur gewoon bij horen.” Zie voor een nadere toelichting van de auteurs van De Nieuwe Bijbelvertaling: http://www.nbv.nl/columns/huidvraat/